Jeremiah Day – 14 May 2015

Jeremiah Day No Words for You, Springfield

Thursday 14 May 2015, 17hrs doors open 16hrs

– Note: this event if fully booked –

No Words For JDay_ManifestaYou, Springfield consists of a series of photo-works by Jeremiah Day and deals with the history of the Blasket Island storytellers, a group of storytellers and writers who flourished on a small island in Ireland, who then emigrated en masse to Springfield, an industrial city in the US, where the tradition of telling stories effectively died; a series of lithographs depicted this now decaying city. Day has been researching the movement of the people of the Blasket Islands off the Dingle Peninsula (Ireland), to the town of Springfield near Boston (USA) culminating in a complete evacuation of the Islands in the 1950s. What we know of the poetic tradition of the Blasket Islands comes to us largely through the efforts of the English linguist George Thompson. In the story-telling of the Blaskets, Thompson felt he had found a link with the pre-Socratic tradition of Greek epic poetry, where spiritual, personal, political and practical subjects were integrated. Therefore the boundary between art and life could be said not to exist at all. Over the last fifty years, Springfield has been largely in decline, a classic post-industrial American city. Can we imagine that any of the story-telling traditions of the Blaskets have lived on there? And though the Blaskets are long deserted, what remained within the now developed Ireland around them? What does progress mean, through the lens of the Blasket tradition? – Your registration via E: productie@castrumperegrini.nl  ensures your free entrance.

AMSTERDAM ART selected exclude / include. Alternate Histories for their walk “Layers of Past, Present and Future’ that takes you to four exhibitions that engage deeply with the layers of the past and propose new ways of looking into the future.

Visit GRIMM gallery and project spaces Castrum Peregrini, Rongwrong and Stedelijk Museum Bureau Amsterdam to discover how contemporary art wrestles with the increasing complexity of history and memory using both old and new media. The route is 5 km long and takes about 30 minutes to bike. Follow the route and read more here

Disclosing 18 april 2015

Disclosing – Salon

Saturday 18 April, 16 – 20hrs

Nine students of the Inter-Architecture department of the Gerrit Rietveld Academie invite you to take part in “Disclosing”. Through installations, new narratives and series of actions, they will carefully reveal to the audience the hidden stories embedded in materials and our constructed environment, following a free interpretation of a Salon.

“Disclosing” is a one-day event, starting at 16.00 on Saturday 18 April 2015. From 16.00 to 18.00 : “disclosing” a series of launches of each installation. From 18.00: open doors, till 20.00 hrs

With the works of Naama Aharony, Mai-Loan Gaudez, Niels Hendriks, Paz Ma, Daniel Schwartz, Yaniv Schwartz, Mayra Sérgio, Izabela Stepska, Alice von Alten. Graphic design by Brent Dahl.  A project initiated by Marie Ilse Bourlanges & Elena Khurtova

26.5.’44 Transport aus Beregowo – Wolfgang Ebert

Tentoonstelling

26.5.’44

Transport aus Beregowo

een serie van dertien olieverfschilderijen van

Wolfgang Ebert

14 maart t/m 22 maart 2015

Finissage zondag 22 maart, 15.00 uur

In 2005 startte Wolfgang Ebert een serie olieverfschilderijen. Alle zijn gebaseerd op het ‘Auschwitz Album’ (destijds gevonden door Lilly Jacob) dat een uniek en authentieke reportage bevat van een Joden transport gezien door de ogen van de SS’ers. Het werd een indrukwekkende reeks waarmee Wolfgang Ebert in olieverf bouwde aan de gelaagdheid van herinneringen, zowel zijn persoonlijke- als de herinneringen van zijn vrienden. Waarvan er een aantal in de betreffende kampen zaten.Wolfgang Ebert, 26.5.’44 Transport aus Beregowo (detail), olieverf op doek, 176 x 90 cm, 2007

Ik ben in de nazi-tijd groot geworden. Toen Hitler kwam, was ik zes. En toen hij ging was ik achttien. Ik heb het allemaal bewust meegemaakt. Alles wat er verder in mijn leven gebeurde, heeft daar zijn oorzaak.”- WolfgangEbert

Sinds de jaren ’60 woont Wolfgang Ebert in Amsterdam, waar hij samen met zijn vrouw na omzwervingen elders in Europa, en via een hechte vriendschap met (‘vijftiger’) Bert Schierbeek terecht kwam.

I.s.m. Genootschap Nederland – Duitsland, het programma zondag 22 maart, 15uur met bijdragen van sprekers:

Mevr. Dr. Ursula Langkau-Alex: ‘Kunstenaars in exil’ >>> hieronder de integrale tekst van deze lezing

Dhr. Prof. Dr. Frits Boterman: ‘Cultuur als macht’

14 maart vernissage:

Openingswoord tentoonstelling  

“Welkom namens de Vriendenkring Herengracht 62,

Dames en heren, bij dit bijzondere samenwerkingsproject met Castrum Peregrini, waar de tentoonstelling plaatsvindt en het Genootschap Nederland Duistland, met wie wij een inhoudelijk programma hebben kunnen samen stellen, waarmee we de tentoonstellingsperiode zullen afsluiten. De schilderijenreeks ‘26.5.’44 Transport aus Beregowo’ roept verschillende associaties op: kunstzinnige, kunsthistorische, sociale en historische, maar ze handelen ook over kijken en herinneren.

Voor ik verder op inga op de schilderijen wil ik eerst iets vertellen over hoe de tentoonstelling tot stand is gekomen. Afsluitend zal ik nog iets zeggen over de kunstenaar. In 2005 startte Wolfgang Ebert de reeks olieverfschilderijen op basis van het Auschwitz Album dat een reportage van een joden transport, het transport dat op 26 mei 1944 plaatsvond vanuit Beregowo, weergeeft, gezien door de ogen van de SS’ers. Het Album werd gevonden door Lily Jacobs, gevangene in het kamp. Bij de bevrijding van het kamp zocht ze warmte in het kantoor van de SS’ers. Hier vond ze het album, met daarin een nauwkeurig verslag van het transport waar zij toe behoort had. Alles was nauwkeurig objectief weergegeven. Ze zag foto’s van haar Rabijn, haar familieleden en haar vrienden. Zij heeft het album bewaard en later geschonken aan Yad Vashem.

Voor Wolfgang betekende het Auschwitz Album het volgende:

‘Toen ik dat boekje tegenkwam, voelde ik dat het album een soort invulling was voor datgene waar ik eigenlijk al vele jaren mee bezig was. Het maakte op directe wijze zichtbaar wat je niet kunt begrijpen uit een geschreven verhaal in een boek. Ik ben in de eerste plaats een kijkmens. Ik werd helemaal gegrepen door wat er allemaal op die foto’s te zien was, vooral die stemming.’

‘Want ik weet uit ervaring wat gevangenschap is, van die barakken en van dat samenleven met heel veel mensen, waar je niets mee hebt. Waar je tussen al die mensen een enkeling bent. Niemand hoort bij iemand en je ligt toch allemaal naast elkaar. En alles wat daarmee samenhangt, dat  komt me zo bekend voor, en dat vond ik terug bij het zien van die foto’s uit dat album.’

Zo dook de kunstenaar op achtenzeventigjarige leeftijd opnieuw in de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog. Wolfgang Ebert heeft verschillende momenten na de aankomst van het transport in Auschwitz-Birkenau op 26 mei 1944 geschilderd: de aankomst, de selectie, de tocht naar de crematoria, het wachten en de mensen op weg naar de barakken.

Het zijn de korte momenten, eigenlijk seconden, waarbinnen onvoorstelbare, emotioneel intensieve gebeurtenissen plaatsvonden: het moment tussen leven en dood, de verandering van persoonlijke identiteiten in afzonderlijke nummers.

Wolfgang gebruikt in deze serie een essentie van schilderkunst: het  omzetten van uiterst minutieuze momenten in duurzaamheid, waardoor ruimte ontstaat voor nadenken en overpeinzen. De schilderijen zijn getuigenissen van Wolfgans sterke behoefte aan het recht op vrijheid en aan ruimte voor bezinning. Enerzijds was het hem te doen om de slachtoffers postuum een eer te bewijzen en een gezicht te geven, anderzijds is de reeks een onderzoek naar zijn eigen kunnen en experimenteerde hij met structuur, kleur en ruimte.

De afzonderlijke schilderijen bevatten verschillende individuele verhalen, zoals die van het kindermeisje Edith. Zijzelf was niet joods, maar werkte bij een joodse familie. Ze bleef hen tot op het laatst trouw. Of het verhaal van Geza Lajtbs, duidelijk een stadse vrouw. Of Lily Jacobs, de vindster van het Album. Maar ook Friedl is afgebeeld. Zij was niet met dit transport gedeporteerd. Zij was de vrouw van Dick Couveé, oud directeur van het Frans Hals Museum en goede vriend van het echtpaar Wolfgang Ebert en Mercedes Engemann. Friedl had Auschwitz overleefd, maar droeg de gruwelijkheden natuurlijk met zich mee. Ebert brengt haar met dit schilderij in herinnering, als vrouw, vriendin maar ook als persoonlijke herinnering aan de concentratiekampen van de Nationaal Socialisten.  Zo vermengt Wolfgang persoonlijke herinneringen met de algemene historische gebeurtenissen en gebruikt hij de schilderkunst om op die miraculeuze verbinding tussen beide  voor zichzelf een antwoord te geven.

‘Ik ben in de nazi-tijd groot geworden. Toen ik volwassen was, was dat een groot probleem voor mij. Toen Hitler kwam, was ik zes. En toen hij ging, was ik achttien. Ik heb het allemaal bewust meegemaakt. Alles wat er verder in mijn leven gebeurde, heeft daar zijn oorzaak.’

Ebert creëerde schilderijen met een opmerkelijke gelaagdheid: een realistische zwart-wit weergave liet hij overgaan in een abstract spel met licht en kleur. Deze gelaagdheid kan worden gezien als een verbeelding van herinnering. Naar mate men ouder wordt lijkt de geschiedenis te vervagen in het licht van alledag, maar onmenselijkheden en onrechtvaardigheden blijven in het geheugen gekerfd.

Ebert werkte vier jaar aan de serie en borg het vervolgens goed op in zijn atelier. De Vriendenkring Herengracht vindt het nu hoog tijd, dat deze monumentale serie aan het publiek wordt getoond. Wolfgang Ebert is zelf niet in Auschwitz geweest. Zijn persoonlijke geschiedenis is een andere. Hij werd in 1927 geboren in Oelsnitz in het zuiden van Saksen. 150 kilometer ten zuid oosten van Dresden . Na de oorlog in Oost Duitsland onder Russisch beheer. Van jongs af aan hield hij van tekenen en hij wilde kunstenaar worden. Als jongen van ca. 16 jaar oud, moest hij vechten aan het Ardennen offensief. Maar hij zocht telkens  een plek in de achterste linies, zodat hij niet zou hoeven te schieten. Daarna kwam in Amerikaans krijgsgevangenschap en vervolgens thuis in Oelsnitz moest hij werken in de Russische uraniummijnen. Daar is hij uit weggevlucht.

Hij kon niet meer bij zijn ouders blijven en vluchtte de grens over naar West Duitsland. Hier belandde bij een boer in de buurt van het dorp Ellingen, waar mocht hij blijven, overdag werkte hij voor de boer, maar ’s avonds kon hij naar de kunstacademie. In het oude, leegstaande kasteel van Ellingen was in die tijd de kunstacademie van Neurenberg ondergebracht. Op de academie ontmoette hij Mercedes Engemann. De kennismaking groeide snel uit tot een hechte vriendschap en liefde. Ze besloten samen door het leven te gaan. Hun ontmoeting met Bert Schierbeek in Zuid Spanje was de eerste kennismaking met Nederland.

In het midden van de jaren vijftig studeerde Wolfgang en Mercedes even aan de Rijksakademie in Amsterdam. Begin jaren zestig keerden ze definitief naar Nederland terug. Ze verbleven eerst in Amstelveen, maar in 1964 trokken ze naar Amsterdam en vestigden zich in het pand Herengracht 62. Dat was toen in een vervallen staat. Ze knapten het gehele pand met eigen handen op.

Mercedes overleed begin jaren tachtig. Wolfgang was toen docent aan de kunstacademie in Ben Bosch. Na het overlijden van zijn vrouw en toen hij als docent met pensioen was, kon hij zich geheel wijden aan zijn schilderkunst. Wolfgang werkte op groot formaat en werkte altijd naar een thema, een gebeurtenis uit zijn persoonlijk leven of een filosofisch of historisch aanknopingspunt.

‘Transport aus Beregowo’ is de laatste reeks die hij realiseerde. De laatste jaren werkt hij dagelijks aan een serie aquarellen. Op deze plaats wil ik graag nog al de mensen bedanken zonder wie de tentoonstelling en het afsluitende programma niet tot stand had kunnen komen:

Dorothee von Flemming, voorzitster van het Genootschap Nederland Duitsland, Frans Damman en Lars Ebert van Castrum Peregrini en de stagiaires Amadeo en Maria Jasnova. De man van het transport en techniek: Reinder van der Woude.

En natuurlijk Wolfgang Ebert zonder wiens inspanning de schilderijen er niet geweest waren. Dat hij bij deze opening aanwezig kan zijn is bijzonder. Want begin februari heeft hij een zware darmoperatie ondergaan, dus zijn chirurg zijn we ook dankbaar voor zijn goede vakwerk. Genoeg gepraat. Tijd om te kijken en het glas te heffen op deze bijzondere expositie.

Geniet van de middag, Liesbeth Netel, kunsthistorica en curator

 

zondag 22 maart finissage:

Ursula Langkau-Alex  Kunstenaars in Exil

Lezing bij de finissage van de tentoonstelling 26.5.’44 Transport aus Beregowo, een serie van dertien olieverf schilderijen van WOLFGANG EBERT, Castrum Peregrini, Amsterdam 22 maart 2015

Beste Meneer Ebert

Beste Leden en Vrienden van Vriendenkring Herengracht 62, van Genootschap Nederland-Duitsland, van Castrum Peregrini

Beste Dames en Heren

Allereerst dank ik mevrouw von Flemming voor de uitnodiging namens het Genootschap Nederland – Duitsland om bij de finissage van de tentoonstelling van de schilderijen van Wolfgang Ebert, 26.5.’44 Transport aus Beregowo, een lezing te houden over kunstenaars in exil hier in Castrum Peregrini – de juiste plaats voor een evenement als deze.

Exil – laat ik maar met dit woord beginnen. Want: Het behoort eigentlijk niet tot de Nederlandse woordenschat. De van Dale kenmerkt het als een Frans woord en zet daarvoor de Nederlandse termen “verbanning”, “ballingschap”, “ballingsoord”, en voor een persoon: “balling”. Zoals bekend wordt de Nederlandse Regering in London von 1940 tot 1945 als “Regering in ballingschap” betiteld. Toch heeft juist de historicus / chronist van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Louis de Jong, de  literatuur van Duitstalige ballingen in Nederland na 1933 steeds “exilliteratuur” genoemd, terwijl de eind jaren 1950 van Duitsland naar Nederland geimmigreerde germanist en literatuurwetenschapper, dan hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden, Hans Würzner, consequent van “Emigrantenliteratur” / “emigrantenliteratuur” sprak. Hij stoelde daarmee op de termen die wél ook in het Nederlands gebruikelijk zijn: “emigratie”, “emigrant”. De Nederlander Louis de Jong, geweest balling in Engeland, daarentegen ontleende ´zijn´ woord “exil” aan het Engelse begrip “exile” – eerder, denk ik, dan aan het Duitse “Exil” dat toen al, in het prille begin van “Exilforschung”, voor de typologisering van de vluchtelingen uit de machtssfeer van het nationaalsocialisme in zwang was en van dezen zelf al was gebruikt. Maar genoeg – ik wilde hiermee alleen maar aantonen hoe verschillend het zelfde feitelijke gegeven in woorden wordt gevat.

—-

“Wanneer gaat een mens in exil? Moet men pas in levensgevaar verkeren om als exilé te worden erkend? Er zijn vele verschillende redenen om zijn land te ontvluchten en deze laten zich niet alleen aan politieke vervolging vastmaken. Zo verscheiden de beweegredenen, zo gevarieerd zijn ook de uitwerkingen van het exil op kunstenaars en kunsten.”

Dit zijn, in het Nederlands vertaald, de openingszinnen bij de virtuele tentoonstelling Künste im Exil. De websites – er is ook de Engelstalige versie Arts in Exile – zetelen bij de Deutsche Nationalbibliothek (DNB) te Frankfurt am Main en staan onder coördinatie en redactie van diens afdeling Deutsches Exilarchiv 1933-1945 (DEA). De Online lancering – rechte handen op elkaar en druk op een grote rode knop – vond in September 2013 in het Bundeskanzleramt in Berlijn plaats door de toenmalige Staatsminister voor cultuur en media, de heer Bernd Neumann, de directeur generaal van de DNB, mevrouw Dr. Elisabeth Neumann, het hoofd van het DEA, mevrouw Dr. Sylvia Asmus, en drie actuele exilés in de Bondspubliek: de beeldende kunstenares uit Iran, Parastou Forouhar, de schrijver / poëet / musicus uit China, Liao Yiwu, en de Duitstalige romanschrifster en dichteres uit Bulgarije, Herta Müller. Deze had in 2011, twee jaar na de ontvangst van de Nobelprijs voor literatuur, in een “Open brief” aan kanselier Angela Merkel een museum voor de vervolgde kunsten en kunstenaars aangemaand om de herinneringscultuur aan exil in het verleden en heden te bevorderen en op die manier ook actief hedendaags  “antisemitisme en vreemdelingenhaat” te bestrijden, zoals het dan in een persverklaring van de Deutsche Nationalbibliothek heette. Deze dubbele doelstelling alsmede de reeds aangesproken medewerking van drie hedendaagse gevluchte kunstenaars bij de Online-stelling geeft aan dat zowel de ‘traditionele’ encadrering van Duits / Duitstalig exil 1933-1945 overschreden, beter: losgelaten is en niet alleen de huidige Bundesrepubliek Deutschland, maar ook die van 1949 tot 1999 én de voormalige Deutsche Demokratische Republik met hun respectievelijke voorlopers na het einde van de Tweede Wereldoorlog als landen worden beschouwd waar mensen toevlucht zoeken en zochten.

De Bondsregering stelde met de instemming van alle fracties in de Bondsdag een startkapitaal van 745.000 EURO voor de eerste drie jaar ter beschikking – dat was eind 2014 op. Speciaal voor scholieren en studenten en de respectievelijke onderwijsinstellingen is er een educatief Junges Museum ingericht. Daarvoor tekent het Deutsches Literaturarchiv Marbach, een onderdeel van de Deutsche Schiller-Gesellschaft verantwoordelijk. Een coöperatief netwerk van inmiddels rond dertig instellingen – archieven, bibliotheken, genootschappen, musea, onderzoeksinstellingen en stichtingen… – zorgt zowel voor de kennismaking met “Künste im Exil” en diens activiteiten via hun websites alsmede voor bijdragen aan de tentoonstelling, al is het niet de bedoeling een heus lexicon te bieden. Een qua herkomst of achtergrond, specialisatie en beroep relatief breed samengestelde Advies Commissie van 4 mannen en 4 vrouwen (waarvan ik zelf er één ben) heeft onder andere de taak voor een zeker evenwicht bij de keuze van kunstgenres, kunstenaars en exillanden te zorgen, voorts bij alle gewenste feuilleton stijl van de presentatie over wetenschappelijke onderbouwing inclusieve de vastlegging van termen te waken – of juist al te stringente definities los te laten: Zo hebben wij na een langere discussie besloten het veel omvattendere veld “migratie” bij “exil” te betrekken zonder echter specifica te verwaarlozen. Op die manier wordt er rekening gehouden met de gelaagdheid van de situaties, met de verandering daarvan en met het individuele beleven – criteria die een eenduidige afbakening van “vluchteling”, “emigrant”, “exilé”, “migrant” twijfelachtig maken. Immers, een vluchteling kan na verloop van tijd angekomen zijn in de nieuwe maatschappij en zich niet meer als “exilé” voelen, of juist wél omdat zijn emoties of zijn situatie het niet toelaten dat hij, ook als dat weer mogelijk is, voor goed naar zijn homeland terugkeert. Een Tsjechische vluchtelinge uit het jaar 1938 in Amsterdam omschreef 50 jaar later – inmiddels lang getrouwd met een Nederlander en werkzaam als journaliste, kunstcritica, tolk – haar identiteit zo: “Ik ging terug om mijn Heimatland te zien, ik houd ervan zoals altijd, maar mijn Zuhause is hier.”

Op het eerste gezicht wekt het misschien verbazing dat er voor het onder de aandacht brengen van het fenomeen exil de kunsten oftewel kunstenaars zijn gekozen. Per slot van rekening zijn er tussen 1933 en 1940 ‘slechts’ zo’n 10.000 kunstenaars uit Groot-Duitsland gevlucht (Oostenrijk na de Anschluss in maart 1938 en de Duitstalige gebieden in Tsjecho-Slovakije in 1938/39 inclusieve), terwijl de Duitstalige emigratie in het geheel ongeveer een halve miljoen mensen omvatte. Bij nader inzien en vooral bij het bekijken van en het doorklikken op de website Künste im Exil wordt deze keuze begrijpelijker. Individuele levensbeschrijvingen, activiteiten en werken verwijzen naar de vele genres van kunst én de vraag naar de mogelijkheid of onmogelijkheid deze in het vreemde land verder uit te oefenen. Dit wederom leidt tot het complex van fundamentele bestaansvoorwaarden voor die zich alle exilé’s en beroepen gesteld zagen: de politieke en maatschappelijke omstandigheden en verhoudingen in een asielland; organisaties en netwerken. Daar boven op komen aspecten zoals transfer van kunst, van techniek, van know how; van wisselwerkingen, invloed en nawerking. Zo gezien laten zich genoemde factoren naar de ‘kleine man’ en de ‘kleine vrouw’ transponeren. Zij een ook de niet opgenomen kunstenaars krijgen exemplarisch een ‘gezicht’ – of anders gezegd:  een cumulatieve biografie, bij voorbeeld door getoonde “objecten” zoals een paspoort of een visum of en affidavit; door een telefoonlijst welke contacten openbaart; door een foto van de Heimat of van een gelukkige vakantie vóór de vlucht of in het nieuwe land; door een brief vol van bitterheid of juist vol hoop en optimisme of met een smeekbede om hulp, om geld, of door een sollicitatiebrief.

Maar: kunstenaars, (bijna) gelijk welk genre zij beoefenen, hebben het vermogen het alledaagse en het bijzondere, emoties en rationaliteit, realiteit en droom te verbeelden, te sublimeren, te versterken, zicht- of hoorbaar te maken. Ook daarom is voor Künste im Exil gekozen.

De kunsten zijn een onderdeel van het veel bredere veld cultuur, alhoewel cultuur niet zelden tot de kunsten wordt gereduceerd. Maar denk aan cultuur van het debat, aan politieke cultuur of aan regionale en nationale cultuur (doorgaans gebruikt in de zin van traditie). Cultuur als macht. Cultuurgeschiedenis van Duitsland 1800 – heden, is de titel van het volumineuze boek en de voorafgaande ontzagwekkende studie van collega Frits Boterman die er straks zelf het een en ander zal toelichten.

Mijn vraag is: Kunnen wij in de context van kunst en exil / kunstenaar en exil van macht spreken? 10.000 kunstenaars – van poëet tot romancier, van componist tot violist, van architect, beeldhouwer en schilder tot typograaf en fotograaf, en alle beroepen uit de toneel- en filmwereld: welke macht hadden zij – ten eerste: in hun land vóór dat zij het moesten verlaten? Zij waren immers een minderheid binnen het kunst- en cultuurleven, anders hadden zij niet moeten vluchten, nog afgezien daarvan dat een niet gering, ja een groot percentage van Joodse huize en / of politiek geëxponeerd was. (Daarbij horen natuurlijk ook personen, die zich op de een of andere manier ‘koest’ hebben kunnen houden, die in de zogenaamde innere Emigration zijn gegaan.) Voor de ‘onbekrompen’ buitenwereld van toen en nu echter is hun artistieke durf, hun vernieuwingsdrang – in het kort: hun moderniteit – gezichtsbepalend voor de kunsten in de periode 1918/19 – 1933, de periode van de Republiek van Weimar; in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije duurde die periode ietsje langer, desalniettemin waren de vrije kunstuitingen bedreigd.

Ten tweede: Kan er aan macht van kunstenaars in het exil ook maar in de verte gedacht worden laat staan dat er daarvan sprake kan zijn?  Welke status hadden zij, tenminste in de eerste jaren? Zij waren vreemdelingen in dubbele, ja in meervoudige zin: Zij waren vreemdelingen in eigen land geweest of ten slotte geworden, vertegenwoordigers van een misachte, verhoonde, verschopte, verboden, vervolgde cultuur van vrijheid van kunst en meningsuiting, dus van democratische grondbeginselen. Met het land dat hen had uitgestoten onderhielden de demokratische asiellanden diplomatieke en meestal ook hechte – in het geval van Nederland uiterst innige – economische betrekkingen, nog afgezien van meer of min sympathie dat zij voor het rigoreus ‘orde scheppende’ nationaalsocialistische regime koesterden. De vluchtelingen waren ‘ordeverstoorders’, op beide zijden van de grens. Al in deze hoedanigheid waren zij vreemdelingen in de maatschappij van het exilland. Daarboven op kwam de cultuur (in brede zin) die zij meebrachten. En nog eens daarboven op – om de opeengestapelde lagen van vreemdzijn te verbeelden: Voor de immigranten, de vluchtelingen was de nieuwe culturele (wederom in brede zin) omgeving vreemd. Maar weinigen konden zoals de schrijver Heinrich Mann van hun exilland – in dit geval Frankrijk – zeggen dat ze er thuis waren, want: “Mijn opvoeding was zowel Duits als Frans.”

Wat nu neemt een kunstenaar mee in het exil?

Een violist zal zeker zijn viool meenemen zoals een fleutist zijn instrument. Maar een pianist? Welnu: een piano vindt zich over al om zijn meesterschap te tonen. Een schilder of beeldhouwer kan ook over al materiaal voor de uitoefening van zijn kunstenaarschap vinden – voor zover hij het nodige geld daarvoor kan opbrengen of hoe dan ook bemachtigen. Maar hij moet ook visueel zijn kunstenaarschap kunnen aantonen en dat kan over het algemeen niet zo een twee drie als bij een musicus. Dus zal hij trachten tenminste een deel van zijn werken te redden of te laten redden, niet in de laaste plaats om eventueel door een tentoonstelling de aandacht te vestigen en door verkoop van het een of andere stuk in zijn levensonderhoud te voorzien. Een al ‘gevestigde’ schrijver zal zijn nieuwste nog niet voltooide of nog niet uitgegeven manuscript en zijn aantekeningen voor een volgend of dat voor hem belangrijkste plan meenemen – of wederom laten nasturen – zoals Heinrich Mann, om hem nogmaals aan te halen, deed met zijn sinds 1925 verzameld materiaal over de Franse koning Henri Quatre. Het tenslotte tweedelige oeuvre verscheen in 1935 – Die Jugend des Königs Henri Quatre – respectievelijk in 1938 – Die Vollendung des Königs Henri Quatre, hier in Amsterdam bij Querido Verlag, de Duitse exil-tak van uitgeverij Querido onder leiding van Fritz H. Landshoff. Overigens: Uitgevers / uitgeverijen zijn vanzelfsprekend niet opgenomen in de tentoonstelling Künste im Exil, maar zij worden in bibliografische verwijzingen wel genoemd – of er is erop toe te zien dat zij niet worden onder gesneeuwd door alleen de vestigingsplaatsen van exil-uitgeverijen te noemen. Want: Wat en waar zouden de schrijvers zijn geweest of blijven zonder een uitgever?

Wat alle vluchtelingen, alle migranten – kunstenaar of vakbondsbestuurder of huisvrouw – meenemen is hun (moeder)taal. Hoe groot de betekenis van de eigen taal juist voor een schrijver is – en daarmee schakel ik nu na Heinrich Mann reeds genoemd te hebben – definitief van allgemeenheden over op concrete voorbeelden. Ik zal die voornamelijk uit het Duitstalige exil na 1933 in Nederland lichten – – Dus: de betekenis van de eigen taal voor een schrijver heb ik laatst nog op een avond over Hans Keilson ervaren, de arts, schrijver, dichter, psychiater, essayist die in 1936 naar Nederland was geemigreerd en hier in 2011 op 101jarige leefijd is overleden. Hij heeft er zelf de treffendste en wat mij betreft ook de mooiste uitdrukking voor gevonden, in een gedicht waarin Nederlandse woorden zijn verwoven: Sprachwurzellos. In het Nederlands heeft hij anthologien samengesteld en ook essays geschreven, maar zijn diepgaande vertellingen, romans en vooral zijn gedichten en sonetten kon hij alleen in zijn taal, het Duits vervatten.

Een tegenvoorbeeld is Elisabeth Augustinalhoewel… De in 2001 op 98jarige leeftijd in Amsterdam overleden schrijfster, dichteres, vertaalster was dank zei haar echtgenoot, een in Nederland opgegroeide Duits-Zwitserse germanist, al voor haar emigratie naar Amsterdam in het voorjaar van 1933 begonnen Nederlands te leren en Nederlandstalige romans in het Duits te vertalen. Eenmaal in Nederland en midden in Nederlandse, dus niet in Duitse exil-kringen (hoewel zij als sociaaldemocrate en pas in de twee plaats om haar half-joodse achtergrond was gevlucht), begon zij onmiddelijk alleen maar in het Nederlands te schrijven en te publiceren. In haar herinneringen, Het Patroon, bekende zij echter: “De eerste zeven jaren in Nederland waren voor mij jaren van min of meer moeilijke aanpassing, van dwaze overschatting van mijn nog zo ontoereikend Nederlands…” [p. 97]. Zij bleef in het – vervolkomde – Nederlands schrijven, maar op hogere leeftijd kwam het Duits naar voren, zo schreef zij onder andere vele hoorspelen voor Duitse radiozenders, ook vertaalde zij zelf haar werk naar het Duits.

Beide schrijvers zijn hier in Nederland en vooral in de Bondsrepubliek Duitsland hoog geërd en gedecoreerd, Keilson bovendien met het Bundesverdienstkreuz 1. Klasse, ook werd hij corresponderend lid van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtkunst. De voormalig uitgestotenen, Nederlandse staatsburger gewordenen werden dus tenminste als schrijvers en dichters weer in die Heimat opgenomen.

Literatur ist das Gedächtnis der Menschheit”, heeft Hans Keilson, de musikus, de vioolspeler die hij eveneens was, ook gezegd. Hoe zit het nu met de ‘taal’ van muziek? Vaak hoort men dat muziek geen grenzen kent, alles overvliegt als een vogel, overal kan worden verstaan. In ieder geval, lijkt mij, kunnen musici, kan muziek – meer dan literatuur schrijvers uit andere culturen – musici beïnvloeden, componisten tot een andere stijl brengen, wisselwerkingen teweeg brengen. Ik betwijfel dan ook of de stelling van de musicoloog Marius Flothuis, weliswaar in 1981 geformuleerd, bij nader onderzoek voor Nederland gestaafd kan worden: “Positief is dat verscheidene Duitse musici en muziekpedagogen hier een toevlucht hebben gevonden en een bestaan hebben kunnen opbouwen; negatief dat met name de creatieve geesten schlechts voorbijgaand in Nederland een verblijf hebben gevonden en dat van een blijvende uitwerking van hen op het Nederlandse muziekleven geen sprake kan zijn.”

Men kan zich natuurlijk afvragen of de van het Residentie-Orkest en vooral van het Concertgebouworkest bekende violist Theo Olof die in 1933 als negenjarig jongetje met zijn ouders naar Nederland vluchtte en van Oskar Back les kreeg aan het Amsterdams Muzieklyceum niet eerder als Nederlands getogen musicus moet worden beschouwd. Toch moet hij al van zijn kunstenaars-ouders en van zijn studies in zijn geboorteplaats Keulen zoveel meegekregen hebben dat hij als elfjarige zijn erste concert met het Concertgebouworkest onder de eveneens uit Duitsland gevluchte dirigent Bruno Walter kon uitvoeren. De voormalige exilé Theo Olof heeft voorts als hoofdleraar aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, als medeoprichter von het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds en als initiatiefnemer van Hilversum 4 / Radio 4  een grootse bijdrage aan de cultuur van het muziekleven in Nederland geleverd.

Een ander voorbeeld van invloed en uitstraling is de Oostenrijkse pianist en opera-dirigent Felix Hupka. Geboren in 1896 in Wenen, emigreerde hij in 1939 naar Amsterdam, waar hij tijdens de bezetting moest onderduiken. Na de oorlog gaf hij les aan het Amsterdams Sweelinck-Konservatorium. Hupka’s meest beroemde leerling is Bernard Haitink.

Een voorbeeld van wisselwerkingen, van stijlwissel is de in 1897 geboren Oostenrijkse dirigent en componist Erich Wolfgang Korngold. Al vroeg werden werken van hem door onder anderen Willem Mengelberg ten gehore gebracht. Korngold emigreerde weliswaar niet naar Nederland maar naar de Verenigde Staten waar hij onder andere operetten van Jacques Offenbach en Oscar Strauss aan de New York Opera dirigeerde, maar op de andere kant als componist beinvloed werd door de jazz-cultuur en veel filmmuzieken schreef. Bijna elk seisoen brengt het Nederlands Philharmonisch Orkest en werk van hem ten uitvoer.

Voordat ik over ga naar Beeldende Kunsten wil ik even stilstaan bij kunstenaars in exil heden ten dage. Hun aantallen zijn niet te schatten, de ene vluchtgolf uit het ene land tuimelt over de volgende uit hetzelfde of uit een ander land heen. Hebben de kunstenaars enige kans zich te manifesteren aangezien zij onder de tienduizenden vluchtelingen die geholpen willen en moeten worden toch ook weer een minderheid zijn? Wat wordt er hier in Nederland voor hen gedaan? Ik heb eens gegoogled en ben bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF (Universitair Asiel Fonds) terecht gekomen, de oudste, al in 1948 opgerichte organisatie voor hoger opgeleide vluchtelingen. Daar ben ik een hele reeks namen en kunstgenres en dankbetuigingen tegen gekomen, voor ondersteuning, voor studie, voor tentoonstellingen – maar niet of nauwelijks namen van schrijvers of steun voor schrijverschap. De taal is toch nog iets heel bijzonders. Desalniettemin lijkt me deze Stichting met haar activiteiten een nuttige instelling al is ze maar een klein lichtje in een grote donkere ruimte.

Een organisatie als de Stichting AIDA Nederland – de Nederlandse tak van Association Internationale de Défense des Artistes Victimes de la Répression dans le Monde – bestaat niet meer, zij moest per 1 januari 2013 haar activiteien stop zetten en de contracten met de twee drijvende krachten op zeggen. Het ministerie van OCW besloot al in 2010 geen subsidie meer te verlenen ondanks een positief advies van de Raad voor Cultuur. Nog twee jaar lang had de Stichting zich met steun van andere organisaties en particulieren boven water kunnen houden, toch de aanhoudende crisis sloeg ook hier uiteindelijk toe. In de 33 jaren sinds de oprichting in 1980 heeft AIDA Nederland 553 tentoonstellingen georganiseerd, ruim 1500 kunstenaars en 297 projecten ondersteund en sinds 1981 in een regelmatig uitgegeven Nieuwsbrief alle evenementen en kunstenaars aangekondigd, voorgesteld en verantwoording afgelegd.

In het bureau van AIDA-Nederland in de BALI in Amsterdam was in het midden van de 1990er jaren Stichting EX-YU-PEN te gast. Wat is uit deze  in 1993 officieel opgerichte internationale organisatie van schrijvers uit het voormalige Yugoslavië en sommige uit de Sovietunie geworden? Aan politieke tegenstellingen uiteindelijk ten onder gegaan? Zoals in de 1930er jaren Duitse exil-organisaties van schrijvers en andere kunstenaars uit elkaar braken? Google je nu EX-YU-PEN dan krijg je een vestiting in Utrecht die onder anderen pennen slijt, maar vooral een marketingbedrijf is voor uiteenlopende zaken en organisaties.

Toch terug naar kunstenaars in exil die voor het nationaalsocialisme vluchtten. In het volgende in het bijzonder beeldende kunstenaars. Ik licht er drie uit:  Heinrich Campendonk, Max Beckmann, en Herbert Fiedler. Alle drie hadden behalve het exil nog een houding en een lot gemeen: Zij waren in feite a-politiek, maar bezeten van vrijheid en van het streven hun wereldbeeld uit te dragen, dus waren zij vanzelfsprekend anti-nationaalsocialisten en hun werk was dus politiek in de brede zin van het woord; én hun schilderijen werden in Nederland niet of nauwelijks begrepen laat staan door het publiek gewaardeerd. Fiedler werd in 1944 door een Nederlandse kunstcriticus zelfs als “cultuurbolsjewist” afgeschilderd.

Campendonk, geboren in 1889, kwam via België naar Nederland nadat hij reeds in 1933 als “entarteter Künstler” uit zijn functie van hoogleraar aan de Kunstakademie in Düsseldorf was ontslagen. In februari 1935 werd hij tegen veel weerstand vanuit de Nederlandse politiek en kunstwereld in tot hoogleraar voor monumentale kunst aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam benoemd; oorspronkelijk zou hij Richard Nicolaüs Roland Holst ook als directeur opvolgen. Het deed er niet toe dat Campendonk een Nederlandse grootmoeder had, Nederlands sprak en boven al van het nationaalsocialistische regime was verstoten; hij was een Duitser. Zijn studenten in Amsterdam leerde Campendonk vooral materiaalkennis en techniek als fundament voor ieders eigen weg in de beeldende kunsten. Hoe deze ook na de bezetting weer uitgedragen visie doorwerkte op  generaties van Nederlandse beeldende kunstenaars – daar  weet kunsthistorica Lies Netel, de initiatiefneemster van deze Wolfgang Ebert-tentoonstelling alles van. In zijn in het geheim geschapen schilderijen, voornamelijk aquarellen keerde Campendonk terug naar zijn periode van de Blauwe Reiter die destijds hier in Nederland werd verfoeid, terwijl hij in het openbaar met zijn glas-in-lood ramen niet zonder succes voortborduurde op wat hij van zijn Nederlandse leermeester aan de Handwerker- und Kunstgewerbeschule in Krefeld en latere voorloper-hoogleraar aan de Kunstakademie in Düsseldorf, Johan Thorn Prikker, alsmede van de stroming  der “gemeenschapskunst” geleerd en zelf verder ontwikkeld had – een duidelijk voorbeeld van wisselwerking ook hier. Op de wereldtentoonstelling 1937 in Parijs werd Campendonk voor zijn passie-venster in het Nederlandse paviljoen met de Grand Prix onderscheiden; in Nazi-Duitsland werden vrijwel gelijktijdig tientallen van zijn werken als entartet geconfisqueerd. Hij stierf in mei 1957 in Amsterdam, vlak nadat hij tot Nederlander was genaturaliseerd. Een jaar eerder had de hoofdstad hem met de Quellinus Prijs geërd, en de Nederlandse Staat had hem tot Ridder in de Orde van “De Nederlandse Leeuw” benoemd.

Max Beckmann, de niet alleen in Nederland bekendste beeldende kunstenaar van de drie, verliet op drieënvijftigjarige leeftijd Duitsland, en wel de dag na de opening van de tentoonstelling Entartete Kunst 1937 in München waar hij rijkelijk vertegenwoordigd was, en nadat hij Hitler’s radiorede bij de tegelijk eveneens in München geopende Große Deutsche Kunstausstellung beluisterd had. Hoewel al in 1933 uit zijn hoogleraarschap aan het Städelsche Kunstinstitut und Städtische Galerie in Frankfurt am Main ontslagen twijfelde hij lang óf en zo ja waar naar toe hij zou emigreren. Het exil in Amsterdam werd qua output zijn vruchtbaarste periode, al bleef hij  praktisch in zijn oude stijl verder schilderen, toch de inhoud werd steeds grimmiger en ‘religieuzer’ – maar hij verkocht zo goed als niets, in Nederland dan. Wél hij had in de jaren tot 1937 in Duitsland tenminste één belangrijk netwerk kunnen vlechten: Hij verkocht vanuit Nederland werken aan Hildebrand Gurlitt die hoewel geen partijlid en van Joodse afkomst tot officiële kunsthandelaar van het nationaalsocialistische regime avanceerde en ook voor zich zelf Moderne Kunst verzamelde. In Gurlitt’s denazificatieproces na de oorlog was Beckmann een getuige à decharge. Al in 1947 zag de schilder zijn wens in vervulling gaan naar de Verenigde Staten te emigreren waar hij tot aan zijn overlijden eind 1950 in New York aan verschillende kunstinstellingen les gaf.

Herbert Fiedler tenslotte, jaargang 1891, ontvluchtte de bedrukkende atmosfeer in Berlijn eind 1934 samen met zijn Zwitserse kunstenaars-vriendin, latere echtgenote Amrey Balsiger naar Amsterdam. Door bemiddeling van een oude friend uit de dagen dat hij bij het filmbedrijf UFA had gewerkt, Hans Kahle, die al eerder naar Amsterdam was vertrokken – hij werkte later aktief in het verzet – kon het paar een huis en atelier in Laren huren. Fiedler begint een nieuwe fase als kunstenaar: eerst in klein formaat dan steeds groter wordend tekent, aquarelleert en schildert hij de Noordhollande polders, weilanden, sloten, dorpen en boeren. Hij wilde, zo schrijft hij in juli 1936 aan zijn naar New York vertrokken studiefriend George Grosz, “Die Synthese finden […], die Malerei wieder dahin bringen, wo sie einmal war, auf die Höhe und Harmonie, dass alles da ist und nichts außer Acht gelassen wird, weder das Gras noch die Luft.“ Hij ziet zijn exil in Nederland als kans zich verder te ontwikkelen. Maar hij verkoopt niets, ook de aansluting bij de kunstenaarskring De Onafhangkelijken verandert daarin niets. Toch Fiedler en Balsinger leven de eerste jaren niet schlecht, Amrey is van huize uit rijk, maar met de huwelijkssluiting in 1937 wordt zij “Duitse” en daarmee staatenloos en het banktegoed wordt geblokkeerd. Tegen het einde van de jaren dertig worden Fiedlers schilderijen duister, politieke allegorieën – Die verkehrte Welt bijvoorbeeld laat beesten zien die mensen mishandelen. Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 waarvan Fiedler op de radio hoort en in de kranten leest schildert hij in monumentale stijl en duister blauwe kleuren, voltooid in september 1940; na de oorlog houdt hij deze traumatische gebeurtenis in verscheidene ‘posities’ in gouache techniek vast. (Overigens heeft een leerling van Campendonk, de Rotterdammer Henk Chabot, eveneens het bombardement op Rotterdam in een schilderij ‘vereeuwigd’.)  In November 1940 wordt Fiedler door de burgemeester van Laren uit zijn gezet, hij vetrekt met zijn vrouw en kleine dochter naar Amsterdam, in het huis aan de M. J. Kosterstraat nr. 11. Ze zijn niet Joods en duiken niet onder, maar in het tuinhuis biedt Fiedler herhaaldelijk onderdak aan de jonge Joodse Nicolaas Wijnberg terwijl hij zelf, wederom door bemiddeling van Kahle, bij de Wehrmachtsauskunftsstelle op het Centraal Station van Amsterdam werkt om vrouw en kind te kunnen voeden. In juli 1944 wordt hij alsnog als soldaat gerecruteerd, hij dient als brugwachter in Rotterdam en in het oosten van het land wanwaar hij begin mei 1945 vlucht. Eenmal thuis wordt hij door het Nederlandse Gezag geïnterneerd, omdat hij lid van de Cultuurkamer zou zijn geweest – de Onafhangkelijken waren daarin ingelijfd worden maar een “Duitser” mocht niet lid worden. Na ettelijke weken komt hij op verzoek van het verzet en van Wijnberg en andere kunstenaars vrij, wél mag hij tot begin 1946 niet tentoonstellen. Tot in de jaren 1950 verkoopt de rusteloos werkende Fiedler slecht, hij leeft in armoede. Tijdens de voorbereiding van een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam 1962 begaf zijn hart het, het werd een tentoonstelling “in memoriam”. Fiedler was in 1957 genaturaliseerd, maar bleef in hart en nieren en in de kunst Duits; naar zijn geboorteland vermocht hij echter net als Campendonk niet terug te keren, dat had een bezoek hem in de vroege jaren vijftig geleerd. Ik zie hem als „Deutschen Künstler im nicht endenden Exil in den Niederlanden“.

Ten slotte: Alle andere kunstenaars in het exil in Nederland die ik hier met name heb genoemd hebben de bezetting en vervolging in de onderuik overleeft. Vele anderen zijn verraden, bij een razzia opgepakt, gedeporteerd en vermoord – zo ook de ouders van Hans Keilson en de moeder van Elisabeth Augustin.

Met zijn schilderijenreeks 26.5.’44 Transport aus Beregowo die hij op basis van fotografieën van de SS, gemaakt bij aankomst van het transport in Auschwitz, heeft geschilderd geeft de migrant Wolfgang Ebert symbolisch ook aan hen, aan alle slachtoffers van de Holocaust een ‘gezicht’ terug, een ‘tweede leven’ zal ik maar zeggen – en hij brengt ons, de kijkers, “de afstand tot dichtbij”.

Hartelijk dank!

Een paar aantekeningen en opmerkingen achteraf:

Ik heb de tekst in spreektaal gelaten, met eventuele germanismen. Helaas begrijp ik de Nederlandse interpunctie nog steeds niet. Bij Heinrich Campendonk en Max Beckmann heb ik enkele zinnen weer opgenomen die ik wegens tijdsgebrek achterwege had gelaten.

De Websites van “Künste im Exil” / „Arts in Exile“ zijn: http://kuenste-im-exil  /  www.arts-in-exile

Men kan doorklikken op: Personen; Objekte; Themen; Kunstsparte; Berufe; Exilland; Arbeits- und Lebensbedingungen; Zeitraum en Zeitstrahl – en dan zijn er telkens nog links en verschillende iconen, bijvoorbeeld een boek voor “Weiter lesen“.

Max Beckmann en Herbert Fiedler zijn reeds in de virtuele tentoonstelling opgenomen.

Voor informatie over alle genoemden heb ik via Google verschillende websites opgezocht. De eerste hint op Felix Hupka dank ik aan Mevrouw Dr. Primavera Driessen Gruber, Orpheus Trust, Wenen; op Internet komt men onder zijn naam bij “Schenker Documents Online” iets meer over zijn tijd tot 1933 te weten, Wikipedia vraagt om bewerking. Voor  Heinrich Campendonk zie ook: Hans Jaffé, “Emigratie in de beeldende kunst – het geval Campendonk”, in: Kathinka Dittrich en Hans Würzner (red.), Nederland en het Duitse Exil 1933-1940. Achttien essays. Amsterdam: Van Gennep 1982, pp. 258-273.

Het citaat van Marius Flothuis is uit diens artikel “Duitse musici  in Nederlandse ballingschap”, in op. cit. pp. 250-257, hier p. 257.

De afstand tot dichtbij is de titel van een semidocumentaire film (1982) over herinneringen aan  de bezettings- en ghettotijd door Barbara Meter, die 1939 uit Duitse ouders in het exil in Amsterdam ter wereld kwam. Moeder Elisabeth Plaut was muzieklerares. Vader Leo Meter was schilder, illustrator, toneel-decorontwerper; zijn voornaamste leraar in Duitsland was Campendonk geweest. Leo Meter sloot zich in 1940 bij het verzet aan, als gedwongen soldaat stierf hij in 1944 aan het oostfront. Op het Internationale Film Festival Rotterdam (IFFR) in januari / februari 2015 ging Babara Meters ‘zoektocht’ naar haar vader, Bis an den Himmel und noch viel mehr, in première.

Een korte overzicht en beschrijving van naar Nederland gevluchte schrijvers, hun organisaties en hun publieke ‘opname’ in de 1970er tot 1990er jaren vindt men bij Ursula Langkau-Alex, “Verlegen im Exil in den Niederlanden – historisch und aktuell. Die Niederlande und die Flüchtlinge”, in: Volker Heigenmooser / Johann P. Tammen (Hrsg.), Verlegen im Exil. Eine Dokumentation. Bremerhaven: edition die horen, pp. 99-110, inz. pp.105-110.

 

hard//hoofd Geheugengebreken

EVENT

GEHEUGENGEBREKEN

VRIJDAG 20 Maart, start programma 20:00 uur

hard//hoofd onderzoekt de kwetsbaarheid van het geheugen aan de hand van audiovisuele kunst, fotografie, poëzie en neurobiologie tijdens een buitengewoon elegante avond in Castrum Peregrini.

Uw herinneringen bepalen uw identiteit. Maar soms raken de hersens onverhoopt verstrikt. Wanneer er een deel van uw geheugen verdwaalt, wie bent u dan nog? Wat gebeurde er die ene avond na vier tequila en zeven bier? En wat als u uw gezichtsvermogen verliest? Blijven de beelden dan? Met:

Rein Jelle Terpstra, beeldend kunstenaar, fotograaf.  Presentatie van het project: ‘Retracing’… Brankele Frank, afgestudeerd neurobiologe, oud-schrijfster bij hard//hoofd Rachel Heemskerk, audiovisueel kunstenaar, korte film: ‘Kijken waar ik niet kijken kan’ Amber-Helena Reisig, schrijfster van proza en poëzie, voordracht

presentatie Kasper van Royen

Deelname aan deze avond is gratis maar beperkt. Email simone@hardhoofd.com om u van een plek te verzekeren

NES#1 Sarah van Sonsbeeck

New Ears Salon

Concert, exhibition and more…

Zondag 19 April 2015, 15 – 18:30uur

Samen met de kunstenaars willen het Ives Ensemble en Castrum Peregrini een ruimte creëren voor kunst, makers en publiek waarbinnen de afstand tot atelier en podium verdwijnt. De bezoekers zijn niet slechts publiek, maar wezenlijk onderdeel van het onderzoek dat de kunstenaar aangaat.

Voor deze eerste New Ears Salon is Sarah van Sonsbeeck uitgenodigd. Deze Nederlandse kunstenaar is al lang gefascineerd door stilte. Zij ontwikkelde voor deze editie het concept ‘Let’s Think About Nothing Together’. Samen met het Ives Ensemble selecteerde zij muziek van John Cage, Alvin Lucier en Erik Satie die een meditatief effect op de bezoeker heeft, waarbij zij samen met het publiek wil onderzoeken of het mogelijk is aan niets te denken. Er zal een aantal bestaande en nieuwe werken van Van Sonsbeeck worden getoond waarvan een enkele ook als tijdelijk muziekinstrument zal dienen.

Het concert zal doorweven zijn met gesprekken met Sarah van Sonsbeeck een bijdrage van Tijs Goldschmidt (gedragsbioloog en schrijver) en begeleid worden door moderator Nathanja van Dijk (A Tale of a Tub & Frankendael Foundation).

Entree: € 45,- voor het complete programma zondag 19 april, inclusief hapjes en drankjes.

Reservering verplicht:  info@ives-ensemble.nl

NES logo

programma (o.v.)

inloop – koffie en thee

salonopening

gesproken column door Tijs Goldschmidt

John Cage – In A Landscape

John Cage – Six Melodies

Interview en publieksgesprek o.l.v. moderator Nathanja van Dijk

pauze – hapje en drankje

Erik Satie – Danses Gothiques

John Cage – Living Room Music

Alvin Lucier – Nothing Is real

rondleiding expositie met van Sonsbeeck en publieksgesprek o.l.v. moderator

 nazit – hapje en drankje

Samen met de kunstenaars willen het Ives Ensemble en Castrum Peregrini tijdens New Ears Salon  een ruimte
creëren voor kunst, makers en publiek waarbinnen de afstand tot atelier en podium verdwijnt. De bezoekers zijn niet slechts publiek, maar wezenlijk onderdeel van het onderzoek dat de kunstenaar aangaat. Het concert zal doorweven zijn met gesprekken met de kunstenaar, een bijdrage van Tijs Goldschmidt (gedragsbioloog en schrijver) en begeleid worden door moderator Nathanja van Dijk (A Tale of a Tub & Frankendael Foundation). Castrum Peregrini kent als voormalig onderduikadres natuurlijk een zeer specifieke band met stilte.

Sarah van Sonsbeeck legt zich toe op het onderzoek naar stilte. Het waren haar luidruchtige buren die van Sonsbeeck hiertoe inspireerden. In een brief vroeg zij hen tachtig procent van haar huur te betalen, precies dat deel dat ze innamen in haar huis met hun geluid. Sindsdien onderzoekt zij stilte in al haar facetten en stelt zij de gevonden betekenissen in haar werk ter discussie. ‘Architect van het antigeluid’ wordt zij daarom wel genoemd. Van Sonsbeecks werk is poëtisch, onderzoekend, intelligent, nieuwsgierig en soms ook humoristisch. Zij is met eenvoudige middelen in staat van een ogenschijnlijk alledaagse realiteit een sublieme ervaring van ruimte te maken.

Van Sonsbeeck ontwikkelde voor deze editie het concept ‘Let’s Think About Nothing Together’. Samen met het Ives Enseble selecteerde zij muziek van John Cage, Alvin Lucier en Erik Satie die een meditatief effect op de bezoeker heeft, waarbij zij samen met het publiek wil onderzoeken of het mogelijk is aan niets te denken. Er zal een aantal bestaande en nieuwe werken van Van Sonsbeeck worden getoond waarvan een enkele ook als tijdelijk muziekinstrument zal dienen (Light S.e.s.a. zie foto).

Conflicting Memories: Ukraine pictures, press & podcast

Conflicting Memories: Ukraine

– a political crisis from a cultural perspective.

26 February 2015, an event in cooperation with European Cultural Foundation

click here for an impression of the evening on FILM.

Openingsspeech Michael Defuster, director Castrum Peregrini:

“Good evening Ladies and Gentleman, welcome to Castrum Peregrini. My name is Michael Defuster, I am executive director of the foundation. Welcome to our special guests: Vasyl Cherepanin and Mykhailo Glybokyi from Kiev, Yevhen Ghlibovitsky and Yevhen Hulevich from Lviv and Ivan Krastev from Sofia, Bulgaria. A warm welcome to Katherine Watson and her team from the European Cultural Foundation, with whom Castrum Peregrini worked closely together to organize this evening. Special thanks to the ECF for supporting the second try to let this debate take place, after the first one, that was original planned for last December, for several reasons had to be postponed at the last minute. We really appreciated your flexibility and creativity by which some unexpected hurdles were taken.

Castrum Peregrini is happy to present you the lecture conversation of this evening as part of its year programme MEMORY MACHINE. WE ARE WHAT WE REMEMBER. that hosts activities that relate our cultural memory with our identity. CONFLICTING MEMORIES; UKRAINE, A POLITICAL CRISIS FORM CULTURAL PERSPECTIVE refers directly to the setup of our programming: we identify ourselves as individuals and as member of a group by our memories. This process of identification needs to be put into perspective, to be able to avoid its power to exclude. As the subject of this evening will show, identity policies are too often used to overpower others instead of including them.

During the three months between our first attempt in December and now, the situation in the Ukraine has turned to the worse. Although the country is suffering a complete war with the separatist rebels in its east region of Donbas, the main players in the conflict seem to be Putin led Russia as the aggressor and the Western World as the challenged one, represented by the NATO and European Union, for whom Angela Merkel’s Germany is taking the lead to stop the conflict with diplomacy. The ceasefire deal she was able to reach came into force only eleven days ago, on the 15th of this month. But it is already clear by now that the agreement will not stand. Is Putin really eager to occupy the whole of Ukraine? Or is Ukraine once again merely a pawn in the fight for dominance on the continent between the eastern and western powers, like it has been so many times in its history?

This time, the motives of the Russian aggressor are unclear and the reactions of the European Union remain vague and hesitant. Are the Western European countries willing to help the Ukraine to overcome its economic and safety collapse and to get independent from Russian influence? What does the Kremlin want to reach with its actions of disturbance? A huge part of the Ukrainian population is eager to join the European Union, with its promises of self-realization, security and freedom, like the protests on Maidan Square were testifying. In the east of the country, another part is backed by Russia to fight against its own government with the aim to get independence for the Donbas region. In effect, the country itself is culturally split into a western and eastern European identity. What are the differences between those two ways of thinking, feeling and remembering, and why are they so conflicting?

I hope that this evening will give us a glimpse onto the complex rational and irrational forces that are behind the theatre that official politics are presenting us on a daily basis in the media. They threaten not only the destinies of the Ukrainians but also the future of the West Europeans.

Before I give the word to Ivan Krastev I want to mention a special production you can admire in the small room, next to the bar. Yevhen Hulevitsch, director of the Center for Humanities in Lviv presents there the website MAPPING FUTURE HERITAGE: Tropos, Antropos, Topos. The website is using advanced software to visualise networks between places, people, and their ideas. This project was a result of the collaboration of Centre for Humanities of the University of Lviv and Castrum Peregrini. It took place in 2011/2012 as part of Tandem, the cultural manager exchange programme of the European Cultural Foundation. We are grateful that the ECF made it possible to build further on the co-operation we established then.

Ivan Krastev will start the lecture conversation tonight with a statement on the topic. He is the Chairman of the Centre for Liberal Strategies in Sofia, and permanent fellow at the IWM Institute of Human Sciences in Vienna. He is a founding board member of the European Council on Foreign Relations, a member of the advisory board of the ERSTE Foundation. He is also associate editor of Europe’s World and a member of the editorial board of the Journal of Democracy and journal Transit – Europäische Revue. He was the Editor in Chief of the Bulgarian edition of Foreign Policy (2005-2011). He was ranked in the 2008 Top 100 Public Intellectuals Foreign Policy/Prospect List. Since 2004, he has been the executive director of the International Commission on the Balkans chaired by the former Italian Prime Minister Giuliano Amato. He is a co-author with Steven Holmes of a forthcoming book on Russian politics. And Ivan is also participating together with Castrum Peregrini in the Vienna Conversations of the Bruno Kreisky Forum for International Dialogue in Vienna.

After Ivan Krastev’s speech, Katherine Watson, the director of the European Cultural Foundation, will take the role of moderator and introduce to you the other speakers of the panel.  Ivan Krastev, please!”

‘VOLKSKRANT’ 26 February 2015:

VK_26feb2015

 

 

 

 

 

 

 

 

‘DE CORRESPONDENT’, 4 March 2015 – interview with Ivan Krastev: Hoe Europa de politiek ontdeed van het politieke (en zichzelf zo in een crisis heeft gestort)

‘PLATFORM NEDERLAND OEKRAINE’, 28 Februari 2015: “50.000 Russen demonstreerden toen de Krim werd geannexeerd”

‘DE CORRESPONDENT’, 12 Dec 2014 – interview with Vasyl Cherepanyn (Kiev): Deze dappere denker wil met kunst zijn land bevrijden (maar zijn rector noemt het stront)

Below pictures are all by: photographer PIP ERKEN

09-debat by Pip Erken 10-debat by Pip Erken 13-debat by Pip Erken 14-debat by Pip Erken 15-debat by Pip Erken 16-debat by Pip Erken 17-debat by Pip Erken 18-debat by Pip Erken 19-debat by Pip Erken 20 debat by Pip Erken 21 debat by Pip Erken 22 debat by Pip Erken 23 debat by Pip Erken 24 debat by Pip Erken 26 debat by Pip Erken

 

 

Participation on Trial

ParticpationOnTrial..

Please click here for the

detailed programme of

Participation on Trial

and practical information.

 

This autumn Castrum Peregrini will host a two-day international conference on participatory art. The aim of the conference is to unfold the complex ethical and philosophical issues that surround participatory art projects, and to encourage the audience to form an opinion and determine their own position. Participants include Mieke Bal (cultural theorist and critic), Ruth Noack (curator and writer), Henk Oosterling (philosopher), Chrissie Tiller
(Programme Convenor at Goldsmiths College), Nina Folkersma and many others.

juryThe first day of the conference, Friday October 10, will be an enacted court case. During this public court hearing questions around participatory art will be addressed in a polemic manner. All speakers and participants get a specific role: as judge, prosecutor, lawyer, witness or external expert. Taking up these roles they will discuss all the arguments in a playful but serious manner.

CheikhDjili_STUDIO200The second day, Saturday October 11, will focus on the practice of participation: how to do it? Which approach works and which does not? The toolkit  that was developed in the TimeCase project will be launched and some inspiring case studies will be presented and discussed.

We hope to welcome you on both days. Please mark the dates October 10 and 11 in your calender. The full programme will be published very soon on www.castrumperegrini.org.

If you do not want to wait any longer and be immediately assured of a ticket, please register at mail@castrumperegrini.nl.

Yours sincerly,

Nina Folkersma (curator and keynote speaker)
Michael Defuster and Lars Ebert (Castrum Peregrini)
Jan Jaap Knol (Fonds voor Cultuurparticipatie)
and partners
Barbara Honrath and Joachim Umlauf, Goethe Institut
Thera Jonker and Nelly van der Geest, Utrecht School of Arts

 

Participation on Trial is organised by Castrum Peregrini in close collaboration with curator Nina Folkersma and in cooperation with the Fonds Voor Cultuurparticipatie, Goethe Institut, Utrecht School of Arts, and Rietveld Academie Amsterdam; in the framework of the Erasmus project TimeCase. 

 

logo36c3f8f3-581f-47c0-8c0a-81e003d94e81_HKU_logo590 Print GI_Logo_vertical_green_sRGB

 

 

Fanatismo magazine

Fanatismo magazine is part of the manifestation we are all fanatics!

Official launch at the exhibition you are all individuals!
Friday 6 may 2011, 16 hrs, at castrum peregrini,
Herengracht 401, 1017 bp Amsterdam

Pick up your free copy at castrum peregrini or read the pdf in a new window.

Nieuwe Tussen-ruimten

nieuw2014-03-01-amie-and-charbel-exhibits-with-logose Tussen-ruimten

in Amsterdam

woensdag 12 maart, 20uur

Na verschillende interventies in verborgen stegen en andere onbenutte plekken in de binnenstad afgelopen zomer, duikt Tussen-ruimte vanaf 12 maart opnieuw op in Amsterdam. Kunstenaars Charbel-joseph H. Boutros en Amie Dicke presenteren ieder hun visie op Tussen-ruimte, met nieuw werk dat wordt geopend in Castrum Peregrini, lees verder voor meer informatie

 

presentatie Weten Vergeten – 13 mei

Weten Vergeten

Wetenschappelijke Proeverij

dinsdag 13 mei, 20uur

SIMULACRUM presenteert haar nieuwste nummer Weten Vergeten dat tot stand kwam in het kader van OUR MEMORY, MY IDENTITY.

logo simulacrumHistoricus en archivaris Kees Zandvliet, hoogleraar Geschiedenis UvA, vertelt over de keuzes die het Amsterdam Museum heeft gemaakt bij de tentoonstelling Amsterdam DNA. Met bijdrages van een aantal auteurs van dit nummer en met muziek!

 

 

 

‘Quitte le Pouvoir’ voorpremiere!

Quitte le Pouvoir

CheikhDjili_STUDIO200zaterdag 22 en zondag 23 maart 2014, 14uur

 

 

 

 

Welcome at the sneak preview of the film ‘Quitte le Pouvoir’ (30min) and the exhibition of Limited Editions drawings and animations from the film. When a group of young rappers from Dakar, Senegal, join forces through their music to create a revolte, the presidential elections get a surprising turn.

The Senegalese rapper Cheikh Diarra of the group Y’en a marre (Fed Up) will be present. A film made by: Aida Grovestins (director / producer), Machteld Aardse (drawings for animations / producer) and Hanneke van der Linden (animations).

anim_Bird_groot200dpi 

Please let us know if you want to attend Saturday 22/3 at 2pm Sunday 23/3 at 2 pm

R.S.V.P. machteldaardse@planet.nl read more here: www.quittelepouvoir.com

Symposium Freundschaft

Symposium

Freundschaft –

Eine Geschichte des Vertrauens

 

Donnerstag, 19. Dezember 2013, 17-21 Uhr
Bitte anmelden via mail@castrumperegrini.nl
Eintritt 25 Euro incl. Diner und einem Getränk
Jaarvrienden Castrum Peregrini en studenten DIA 15 euro

In Zusammenarbeit mit dem Duitsland Instituut bei der Universität van Amsterdam

 

Ute FrevertUte Frevert, Direktorin des renommierten Max Planck Instituts für Bildungsforschung, hält den Eröffnungsvortrag des Symposiums über Freundschaft. Was sind die Bausteine von Freundschaft, was ist die verändernde Rolle von Vertrauen in der Gesellschaft heute und in der Vergangenheit? Warum steht Freundschaft so zentral bei Castrum Peregrini? Wie können wir heute eine kritische Perspektive auf den historischen Ursprung von Castrum Peregrini  fruchtbar machen?

Nach dem Eröffnungsvortrag von Ute Frevert und der Diskussion mit Josef Früchtl wird Ute Oelmann über Freundschaft bei dem Deutschen Dichter Stefan George sprechen. Das gemeinsame Essen bietet Gelegenheit zum persönlichen Austausch, gefolgt von einem Zeitzeugengespräch über Freundschaft bei Wolfgang Frommel, dem Mitbegründer von Castrum Peregrini. Der Abend klingt aus mit einem Glas Wein.

 

Programm

17 Uhr                 Begrüßung und Einführung ins Programm

17.15 Uhr            Eröffnungsvortrag Ute Frevert

18.00 Uhr           Diskussion  mit Josef Früchtl u.L.v.  Joachim Umlauf

18.30 Uhr           Pause

18.45 Uhr           Referat Ute Oelmann über Freundschaft bei Stefan George

19.15 Uhr            Gespräch u.L.v. Joachim Umlauf

19.30 Uhr           Walking diner

20.15 Uhr           Gespräch mit Zeitzeugen der frühen Jahre des Castrum Peregrini, u.L.v. Nicole Colin

21.00 Uhr           Ende des offiziellen Programms

 

DIA_Logo_zwart_naast

 

Beiträger

 

Ute Frevert , Direktorin Max Planck Instituts für Bildungsforschung, Berlin

Josef Früchtl, Professor für Philosophie, Universität von Amsterdam

Ute Oelmann, Leiterin des Stefan George Archivs, Stuttgart

 

Unter Leitung von

Nicole Colin, Professorin für Deutsche Literatur- und Kulturwissenschaft an der Universität von Amsterdam

Joachim Umlauf, Direktor Goethe Institut Paris, Mitglied des Programmrats von Castrum Peregrini

 

 

Hintergrund

 

Castrum Peregrini hat in den letzen Jahren eine eingreifende Reorganisation und inhaltliche Neuorientieren durchgemacht, weg vom hermetisch Georgischen Lebensmodell, hin zu einem multidisziplinären kulturellen Programm das die Werte Freiheit, Freundschaft und Kultur auf ihre gesellschaftliche Relevanz hin erkundet. Die Begriffe verweisen auf die Gruppe von Untertauchern während der deutschen Besetzung, die sich unter dem Decknamen Castrum Peregrini verbargen.

Diese Vergangenheit probiert Castrum Peregrini fruchtbar zu machen für das Nachdenken über die Gegenwart. Dabei steht die Frage nach Formen einer aktiven Erinnerungskultur oft zentral.

 

Bitte beachten Sie auch den Beitrag von Ute Frevert in DE VRIEND

 

 

 

OUR MEMORY, MY IDENTITY

140906_CP_beeldmerk_Memory_Machine_met_naam_en_ondertitel_altDe tekst OUR MEMORY, MY IDENTITY van Michael Defuster is geschreven in aanloop naar de programma reeks 2014 / 2015 van Castrum Peregrini.  Na het thema Fanatisme in 2011, Vrijheid in 2012 en Vriendschap in 2013 trekken we de lijn in 2014 en heel 2015 door met het thema culturele herinnering en de relatie tot identiteit onder de noemer: MEMORY MACHINE.

Dit is een werkdocument voor onze partnerorganisaties en ons publiek. Reacties zijn welkom evenals programmavoorstellen rond het thema. Het sluit ook aan bij onze Europese projecten Time Case en Silent Heroes.

 

Herinneren en vergeten

We zijn wat we ons kunnen herinneren. Veranderen onze herinneringen, dan verandert onze identiteit als een volgzame schaduw. En herinneringen veranderen, alleen al door het feit dat ons brein maar een klein deel van alle informatie kan opslaan die continu op ons wordt afgevuurd. Daardoor wordt het genoodzaakt een selectie te maken en dat doet het gewoonweg door te vergeten. Het brein onthoudt doorgaans die elementen die zinvol blijken. Bij traumatische gebeurtenissen poogt het de herinnering te verdringen, met alle beruchte bijverschijnselen van dien. Wat voor een individu geldt, geldt ook voor een groep, generatie en natie. Onze culturele identiteit wordt namelijk bepaald door collectieve herinneringen en ook die zijn vrij vloeibaar, en daar zijn we ons meestal niet bewust van.

Bovendien kunnen we ons niets consistents herinneren buiten de context van de verschillende sociale netwerken waarvan we deel uitmaken, zoals familie, werkkring, kennissen- en vriendenkring, club of natie. Onze individuele herinneringen blijken dus ineens niet zo individueel meer te zijn. Zelfs al herinneren we in ons eentje, dan doen we dat toch als sociale wezens die refereren naar onze sociale identiteiten, door gebruik te maken van talen en symbolen, die we weliswaar op creatieve manier kunnen inzetten, maar die we zeker niet hebben uitgevonden.

Gebeurtenissen die een groep ervaart, worden door de leden van die groep opgeslagen als collectieve herinneringen. De impact van de gebeurtenis bepaalt hoe ze herinnerd, vergeten of verdrongen wordt. Ook is het zo dat, als de sociale omgeving van een groep verandert, daarmee ook haar identiteit verandert, zoals bvb bij de verpaupering van wijken, of de invloed van massatoerisme op plaatselijke gemeenschappen. We reconstrueren in feite continu de herinneringen aan ons verleden en stellen zo continu het verhaal waarop we onze identiteit baseren bij aan de behoeften en perspectieven van het heden. Dit geldt zowel voor individuen als voor groepen.

 

Culturele identiteit

Sinds mensenheugenis gebruiken priesters en politici de cultische krachten van het verleden om solidariteit en eendracht binnen een groep kracht bij te zetten, en om offers te vragen. Daarbij doen ze een beroep op het collectief geheugen van de groep, of het nu om een dorpsparochie gaat, een stam of de complete bevolking van China. De oerverhalen van een groep hebben de eigenschap de leden te verbinden. Ze verankeren de culturele identiteit van de groep. Het moge duidelijk zijn dat hier een grote potentie voor manipulatie van groepen en individuen besloten ligt, waarvan niet alleen populistische bewegingen of totalitaire regimes graag gebruik of misbruik van willen maken. Hoe sterk de neiging van de mensheid is naar een groepsidentiteit blijkt uit het feit dat ondanks felle onderdrukking en vervolging een groep haar eigen identiteit in stand weet te houden door de tijd en ellende heen, zoals bvb. bij het Jodendom het geval is. Niets bindt meer dan gemeenschappelijk lijden.

Mythes, mythologieën en nationale of etnische verhalen, waarin het collectieve geheugen vastligt, zijn heel herkenbaar en meestal gemakkelijk, zoals bvb het verhaal over de krantenbezorger die het tot magnaat schopt in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Of dichter bij huis: over het land van zeevaarders, handelaren en dominees waar de bewoners van de hoofdstad heldhaftig, vastberaden en barmhartig zijn. Of ze appelleren aan de god of voorvaderen die op magische wijze de spirituele krachten van de groep belichamen. Meestal geven ze slechts één versie van het verleden weer door andere, minder gemakkelijke versies te “vergeten”, zoals bvb. de rol die de slavenhandel in hun geschiedenis speelde. Gemeenschappelijk herinneren maar ook gemeenschappelijk vergeten zijn wezenlijke elementen van een groepsidentiteit. De meeste van de verhalen die deze identiteit weerspiegelen zijn daarbij geconstrueerd. Bij het ontstaan van de natiestaten in de 19de eeuw werd er niet voor geschroomd om tradities desnoods maar uit te vinden indien er geen geschikte voorhanden waren, in het streven om een verbindend verhaal te creëren die de eenheid van de staat benadrukte. Het Nederlandse Zwarte Piet verhaal stamt uit die tijd. Elke collectieve herinnering is ingebed in een begrensde groep in ruimte en tijd. Collectieve herinnering verschaft de groep een zelfportret dat zich ontwikkeld door de tijd heen. Het is een verzameling van gelijkenissen, en in hoge mate een illusie. Of, zoals de Britse neuroloog Oliver Sacks het formuleerde: “We zijn de verhalen die we in staat zijn over onszelf te vertellen.”

Met de recente bewustwording dat de dominante groepen het verleden “framen” in hun voordeel, in termen van het behoud van macht en aanzien, is er de laatste decennia in de globaliserende wereld ruimte ontstaan voor minderheidsgroepen, wier verleden en identiteit zijn uitgewist of ondergeschikt gemaakt aan die van de dominante groepen, om hun versie van het verleden te reconstrueren. Met een beroep op rechtvaardigheid wordt het recht geclaimd om de eigen identiteit te (re-)construeren. Gezien de grote emotionaliteit die met groepsidentiteit gepaard gaat kan dit alleen zonder geweldsuitbarstingen plaatsvinden in een volwassen democratie en rechtsstaat, waar elke groep en elk individu de rechten, middelen en ruimte heeft om zichzelf uit te drukken. Dat het mis kan gaan kunnen we zien bij de Holocaust, Srebrenica,.. En heel actueel: de situatie in het Nabije en Midden Oosten, waarbij zo ongeveer elke etnische en religieuze groep elkaar onderling bestrijdt, met als gemeenschappelijke vijanden Israël en de USA.

 

De impact van de media

Met de uitvinding van het schrift werd voor het eerst een extern geheugen ontwikkeld waarin meer gegevens konden worden verzameld dan een mensenbrein kan bevatten. Een brein dat lange verhalen van buiten moet kennen ontwikkelt zich anders dan een dat moet kunnen lezen en schrijven, of een dat zijn weg in een bibliotheek moet kunnen vinden. Met de introductie van elektronische communicatiemiddelen en vervolgens internet werden telkens weer andere capaciteiten verwacht. Sinds internet is herinneren haast overbodig geworden. In de plaats daarvan wordt van succesvolle gebruikers verwacht dat ze razendsnel gegevens kunnen vinden en interpreteren op hun gebruikswaarde. Dat vergt een totaal ander brein dan dat van de verteller. Het menselijke brein is flexibel en evolueert met deze externe ontwikkelingen mee.

 

Door internet en de alomtegenwoordigheid van de elektronische massamedia in het dagelijkse leven van zowat de gehele mensheid vindt er nog een andere ontwikkeling plaats: de grenzen van het collectieve geheugen vervagen, doordat men zich kan inleven in culturen en de levens van individuen die totaal anders zijn dan die van hun eigen groep. De wereld “globaliseert” en “homogeniseert” daardoor met de snelheid van het licht door het glasvezelnetwerk. Honderden miljoenen mensen hebben een beeld van het magische landschap van Nieuw Zeeland, nu Frodo de Hobbit er doorheen trok, in de verfilming van Tolkien‘s Lord of the Ring. Zelf zijn ze er nooit geweest.

Sommigen zien deze ontwikkeling als een “informatie ziekte” die door de snelheid en de hoeveelheid waarmee het op ons afkomt de persoonlijke herinneringen overspoelt. Publieke en persoonlijke ervaringen worden niet dichter bij elkaar gebracht, maar integendeel, uit elkaar gedreven. Dat men tegenwoordig zoveel behoefte heeft aan een cultus van het verleden geeft aan dat men tijd weer als een cyclisch gegeven wil ervaren i.p.v. een rechtlijnige grootheid, dat men een manier van contemplatie wil herwinnen dat buiten het universum ligt van simulatie en glasvezelnetwerken, dat men een ankerplaats van authenticiteit zoekt in een wereld van verwarrende en soms bedreigende uniformiteit. Dit gegeven is in wezen een zeer krachtige uitdaging voor culturele en artistieke creativiteit.

 

De rol van de kunst

De term culturele herinnering is eenvoudigweg een vertaling van het Oud Griekse Mnemosyne. Daar Mnemosyne de moeder was van de negen muzen, stond haar naam voor het totaal van culturele activiteiten, zoals die door de verschillende muzen werden uitgebeeld. Door deze culturele activiteiten onder te brengen bij de personificatie van de herinnering, beschouwden de Grieken cultuur niet alleen gebaseerd op herinnering, maar zagen ze cultuur zelf als een vorm van herinnering. Aby Warburg vond kunst een “orgaan van gemeenschappelijke herinnering”. Volgens hem zijn kunstenaars, samen met de historici, het gevoeligst voor de onmerkbare invloeden van het verleden op het heden.

Herinnering is meer een smeltkroes van betekenis dan een vat vol waarheid. Herinnering, individueel of collectief, is werkzaam in elke act van waarneming, in elk intellectueel werk, in elk gebruik van taal. De kunsten zijn in staat om met behulp van hun specifieke vaardigheden historische tijden te veranderen in collectieve herdenkingen. De kracht van collectieve herinneringen ligt niet in de accurate, systematische, of gesofisticeerde weergave van het verleden, maar juist in het scheppen van basale beelden die een (ideologisch) gezichtspunt weergeven en versterken. De selectie en organisatie van een uitgebreide rij van feiten in een verhaal verlangen vaardigheden die in essentie literair en poëtisch zijn. Deze fictieve dimensie komt zelfs meer tot uitdrukking in het geval van herdenkingen, waarvan de verhalen gemakkelijk de grens tussen echt en het imaginaire doorbreken.

Kunst, literatuur, film, fotografie, architectuur, vormgeving, creëren en becommentariëren voortdurend  het zelfbeeld van de verschillende groepen die een maatschappij rijk is, via de journalistiek, de media, herdenkingen, opvoeringen, de religie, de sociale media, reclame-uitingen, de musea. Zoals de Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa onlangs in het programma Buitenhof het belang van kunsten in het algemeen en literatuur in het bijzonder uitdrukte: “Kunst en literatuur zijn de motor van de vooruitgang. De mens onderscheidt zich van dieren doordat hij zich de levens van duizenden anderen kan voorstellen. Kunst en literatuur voorzien in die behoefte. Tegelijkertijd maken ze de kloof zichtbaar tussen alle mogelijkheden die een individu in potentie heeft en het feit dat we slechts één leven kunnen leven. Dit schept een structureel ongenoegen zodat de mensheid bij voortduring de noodzaak ondervindt de wereld te willen verbeteren”. Bij Castrum Peregrini,  tijdens WOII, toen jongeren ondergedoken zaten in het appartement van de kunstenares Gisèle d’ Ailly en de Duitse dichter Wolfgang Frommel, speelden kunst en literatuur een belangrijke rol bij de overlevingsstrategie: ondanks het feit dat de jongeren jaren lang afgesloten waren van verkeer met de buitenwereld hadden ze door middel van literatuur en kunst vensters op de complexiteit van de wereld waardoor ze zich toch uitstekend met het leven uiteen konden zetten.

 

De maatschappelijke betekenis van culturele herinnering

Culturele herinnering is zo manifest in de maatschappij dat het over het hoofd wordt gezien. Als individuen leven we zo vanuit herinnering dat dit feit onzichtbaar is voor onszelf. Nochtans bepaalt het in grote mate onze culturele identiteit. Dat merken we het best als we vrij direct geconfronteerd worden met andere culturen, die in wezen niets anders zijn dan een set verschillende collectieve herinneringen.

Door de opkomst van de nieuwe economieën is de suprematie van de Westerse cultuur niet meer vanzelfsprekend. De Aziatische en Zuid Amerikaanse nieuwkomers zijn in toenemende mate in staat om hun eigen “master narrative”, waarin hun eigen identiteit, waarden en normen in verweven zit, als gelijkwaardig naast die van de Westerse cultuur te zetten. Dit was merkbaar op de Dokumenta 13 en op de Biënnale van Venetië van dit jaar. Een financieel daadkrachtig publiek in India, China, Rusland of Brazilië schaffen tegenwoordig kunst aan dat tegemoet komt aan hun eigen culturele geheugenmatrix. Daarbij laat die kunst zich niets gelegen liggen aan de smaak van een Westers publiek. Hier wordt zichtbaar hoezeer kunst, cultuur en identiteit in elkaars verlengde liggen.

Herinnering bij Castrum Peregrini

Castrum Peregrini heeft haar kernwaarden Vrijheid, Vriendschap en Cultuur gebaseerd op haar onderduikgeschiedenis tijdens WOII. Castrum Peregrini verbindt die gebeurtenissen uit het verleden met de actualiteit van het heden door jaarlijks haar kernwaarden in uitgebreide programmareeksen uit te diepen. In voorgaande jaren waren vrijheid en vriendschap aan de beurt. In 2014 wordt het maatschappelijk belang van cultuur onderzocht vanuit het perspectief van collectieve herinnering. De rol van de kunsten bij het vormen van een identiteit staan daarbij centraal.

 

Referenties:

  • Jeffrey K. Ollick e.a.
  • Jan Assmann
  • Aleida Assmann
  • Richard Sennett
  • Maurice Halbwachs
  • Pierre Nora
  • Andreas Huyssen
  • Eric Hobsbawm and Terence Ranger
  • Merlin Donald
  • E.a.

Michael Defuster, September 2013

Friendly Enemies in Arti

Friendly Enemies. Tot elkaar veroodeeld.

door: Vincent van Velsen

Symposium – Diner op 26 mei 2013 in Arti et Amicitae

i.s.m. partners De Appel en Arti et Amicitae

Dat het niet vreemd is dat kunstenaars en curatoren vaak vrienden zijn is niet opzienbarend, de meeste contacten worden nou eenmaal tijdens werktijd opgedaan. Dat vriendschap de verhoudingen tussen kan beïnvloeden en daardoor invloed heeft op de werksfeer is ook niet heel vreemd, maar wel interessant om te onderzoeken wat de consequenties hiervan zijn.

SONY DSC

Bahram Sadeghi

De avond begon met een tekst van Ann Demeester over het vraagstuk van Friendly Enemies, een term die zij zelf in de gelijknamige film (2005) van Danila Cahen (2005) heeft geïntroduceerd. Eerder schreef Ann Demeester de column ‘Raak nooit bevriend met een kunstenaar’ voor DeVriend, het magazine dat bij My Friend. My Enemy. My Society. verscheen, (klik hier voor Demeester’s column ).

De film Friendly Enemies was de initiële uitgangspositie van de avond bij Arti et Amicitae, waarin de (mogelijk problematische) verhouding tussen kunstenaars en curatoren centraal staat. Met het door de manifestatie My Friend My Enemy My Society extra toegevoegde ingrediënt ‘vriendschap’ ging de avond in op diens invloed op de werkverhouding.

Na Ann Demeester’s tekst en fragmenten uit de film Friendly Enemies was het tijd voor het diner in Arti. Nadat iedereen het toetje had gegeten werd het symposium voortgezet. Bahram Sadeghi ondervroeg verschillende vriendenkoppels uit de kunst over hun vriendschap en hoe dit hun werk beïnvloedt.

In het eerste gesprek, dat werd gevoerd met Maria Barnas (schrijfster en beeldend kunstenaar) en Danila Cahen (filmmaker en curator) kwam de balans tussen vriendschap en werk gelijk aan de orde. Sadeghi vroeg hen naar de tentoonstelling Shapeshifting die de spil vormde tijdens de manifestatie My Friend My Enemy My Society. In deze tentoonstelling is Maria Barnas niet alleen de curator, maar ook als kunstenaar aanwezig. Tevens is haar partner, Felix Weigand, met een werk vertegenwoordigd. Hetzelfde geldt voor de zus van Danila, Daya cahen. Over de overwegingen van deze keuzes waren zij vrij kort. Het had een hoger doel: een goede expositie maken. Dat hun kennissen – en zij zelf – goed in het thema passen heeft volgens hen te maken met het hebben van overeenkomstige interesses, maar ook met het praktische aspect dat ze dat werk goed kennen. Verder ging het gesprek over de tendens binnen de samenleving waar de tentoonstelling uit voort is gekomen: groeiende onverdraagzaamheid en formele restricties die verhoudingen en omgang bemoeilijkt. Het inlevingsvermogen, en de welwillendheid, van de burgers jegens elkaar is het afgelopen decennium hard achteruitgegaan. De onvrede en systematiek die hier aan ten grondslag ligt wilden zij in de expositie uitbeelden, vatten en duiden.

Het tweede panel bestond uit fotograaf Popel Coumou, schrijver en curator Alexander Mayhew en kunstenaar-curator en organisator van de avond Tatjana Macic. Voor de laatste was, onder het mom ‘if you can’t beat them, join them’ de afhankelijkheid die zij ervoer als kunstenaar de reden om zelf curator te worden. De rol van beide partijen binnen de wisselwerking werd besproken, waar de een iets maakt en de ander het uitlegt en de relatie met een groter geheel kenbaar maakt. Ook de galeriehouder kwam in deze context langs, deze heeft weer een andere functie in het geheel, maar uiteindelijk draait het allemaal om vertrouwen. De kunstenaar in de curator het werk juist te behandelen en te plaatsen; de kunstenaar in de galeriehouder de werken juist te presenteren en de juiste persoon of instelling (koper) voor het werk te vinden. Aan de andere kant dienen curatoren en galeriehouders te bewijzen dit vertrouwen waard te zijn. Er is meestal sprake van een vertrouwensband die zich net voor vriendschap bevindt, omdat er ook een zakelijk aspect is. Hoewel er vaak vriendschappen uit een samenwerking voortkomen, was dit panel van mening dat het not-done is om over vrienden te schrijven of deze te cureren. Toch kan vriendschap ook goed zijn, omdat kennis en vooral eerlijkheid van groot belang is bij het beoordelen van werk – en in vriendschappen is eerlijkheid de belangrijkste voorwaarde.

Deze eerlijkheid, samen met loyaliteit, is ook van groot belang binnen de vriendschap van kunstenaar Maria Pask en curator Frederique Bergholtz. Beiden houden er slechts ‘a couple of friends’ op na, wat hun band des te specialer maakt. Ze praten veelvuldig over kunst, maar soms is het ook fijn om in stilte een handeling te delen. Zo gingen ze samen bij een pottenbakclub om terug naar de basis van het kunstenaarschap van Maria Pask te gaan – wat, achteraf, voor haar tot een volgende stap in haar werk heeft geleid. In hun vriendschap zijn ze gelijkwaardig, maar als het gaat om financiële waardering van haar professie is het Bergholtz die de boventoon voert; zoals het eigenlijk altijd gaat in de verhouding tussen kunstenaar en curator. Het betrekken van vrienden bij werk kan volgens hen wel degelijk, zolang je maar professioneel blijft. Het vermogen van het kunnen uiten en incasseren van kritiek, ook binnen een vriendschappelijke sfeer die doorloopt in de werksfeer is hier onderdeel van: dit vermogen ontwikkeld zich met de jaren, als volwassenheid.

Uiteindelijk kwamen de verschillende sprekers samen met het publiek tot de conclusie dat kunstenaars eigenlijk helemaal geen curatoren nodig hebben, maar dat het systeem zo werkt. Ook binnen kunstenaars-collectieven is er altijd iemand die het geheel overziet en aanvragen voor het grootste deel schrijft; als een kunstenaar een tentoonstelling samenstelt wordt er toch gesproken over curator; bij instellingen werken curatoren; en galeries hebben galeriehouders. Met hen moet noodgedwongen samengewerkt worden als een kunstenaar wil tentoonstellen of verkopen. Tegelijk zijn kunstenaars niet te vervangen: want zij geven de (materiële) inhoud aan de tentoonstellingen. Dat is de reden dat ze tot elkaar zijn veroordeeld.

zie: http://www.deappel.nl/exhibitions/e/841/

zie: http://www.arti.nl/

SONY DSC SONY DSC  SONY DSC SONY DSC SONY DSC SONY DSC SONY DSC SONY DSC

SHAPESHIFTING en De AVONDEN

vernissage SHAPESHIFTING (t/m 23 juni)

live radio uitzending van VPRO’s De Avonden vanuit SHAPESHIFTING

donderdag 25 april

door: Vincent van Velsen

IMG_3485  IMG_3496

Een bijeenkomst van oude en nieuwe vrienden. De vernissage van My Friend My Enemy My Society bracht een groot aantal mensen richting Castrum Peregrini.

 

De opening van de expositie Shapeshifting en de officiële lancering van het magazine De Vriend luidden het begin van de  twee maanden durende manifestatie in. Ingaande op het thema van de manifestatie ‘Vriendschap’ biedt het magazine een beschouwing op verschillende onderwerpen gerelateerd aan dit thema, en geeft daarnaast een inleiding op en theoretische onderbouwing van verschillende projecten die de komende twee maanden zullen plaatsvinden. De Vriend is op zaterdag 20 april 2013 meegesealed bij de PS van het Parool en 7 mei mee gegaan naar de abonnees van Kunstbeeld #5.

IMG_3355

 

De expositie Shapeshifting, samengesteld door curatoren Danila Cahen en Maria Barnas, kan gezien worden als de donkere kant van het thema Vriendschap en gaat in op ideeën over angst, macht en wantrouwen. Hoewel dit de kernwaardes zijn van de liberale samenleving die Hobbes formuleerde, zullen andere onderdelen van de manifestatie zich richten op de inhoud alsmede de positieve en sociale kanten van vriendschap, de maatschappij en samenleven in het algemeen. Juist omdat Castrum Peregrini hier zijn basis en geschiedenis vindt: cultuur, vrijheid en vriendschap vormen de kernwaarden van de intellectual playground aan de Herengracht.

IMG_3566 IMG_3554

De vernissage bracht deelnemers, geïnteresseerden en vrienden samen en werd afgesloten door VPRO’s De Avonden op locatie. Korte interviews met deelnemers en speciale gasten, waaronder de curatoren van Shapeshifting en particperende kunstaar Rob Schröder, dichter Henk de Waal, schrijfster Maartje Smits (hard//hoofd), theatermakers Bo Tarenskeen, Gable Roelofsen (Het Geluid Maastricht) en Paul Koek (Veenfabriek) en de schrijvers Dirk van Weelden en Manon Uphoff werden afgewisseld door muziek van The Vagary. Het motto van My Friend My Enemy My Society werd eer aan gedaan:

Dieser Glaube an der Anderen ist der Glaube an das zukünftige Miteinandersein, in dem er sich bewähren soll. Nicht die Bewährung selber, sonder der notwendige Glaube an sie, ohne den jedes Miteinandersein unmöglich würde, ist konstitutiv für das Bestehen des genus humanum.“ – Hannah Arendt

Sweet Dreams

Filmscreening

27 april 2013

in het kader van My Friend. My Enemy. My Society.

i.s.m. Prince Claus FundPCF_logo_txt_NL_zwart

 

door Vincent van Velsen 

Wat doe je als de recente geschiedenis de hele samenleving van vandaag in haar greep houdt? Je creëert een plek voor mensen om samen te komen en gebruikt een manier van communicatie waarbij problemen en hun nasleep niet uitgesproken dienen te worden, maar er wel weer contact is tussen de voorheen strijdende partijen. Dit is de essentie van de film Sweet Dreams van Rob en Lisa Fruchtman waarin het verhaal van de ijswinkel Inzozi Nziza en het drumensemble Ingoma Nshya wordt verteld. De oprichter en initiator van beiden is Odile “Kiki” Katese, zij was aanwezig bij de vertoning van deze film tijdens een avond (27 april 2013) die eindigde in een gesprek tussen het publiek en deze drijvende kracht achter de ijswinkel en het ensemble.

 BUT_4999 BUT_5005

De nasleep van de genocide van 1994 in Rwanda is nog steeds aanwezig in het dagelijks leven van haar inwoners. Iedereen heeft er iets mee te maken gehad: de wezen, de weduwes, de daders en zij die zich zoveel mogelijk afzijdig hielden. Verder gaan zonder dat het boetekleed expliciet aangetrokken dient te worden lijkt de manier om verzoening te bewerkstelligen. Maar iedereen draagt uiteindelijk toch iets van de geschiedenis met zich mee, in een land waar geen geschiedenisles wordt gegeven om niemand negatief te bejegenen.

BUT_5006

Een manier om verder te gaan en mensen bij elkaar te brengen werd gecreëerd door Kiki Katese. Zij begon een drumband bestaande uit vrouwen. Deze Rwandese traditie leek in de vergetelheid te raken, maar zij wist deze met haar Ingoma Nshya, te vertalen als ‘nieuw regime’ én ‘nieuwe drum’ weer nieuw leven in te blazen – en de leden hoop voor de toekomst te geven. De drum is traditioneel voorbehouden aan mannen en daarmee nauw verbonden met specifieke rituelen die onder anderen troonswisselingen aankondigen. In een samenleving die merendeels uit vrouwen bestaat – de genocide heeft grote aantallen mannen weggenomen – werd er al steeds meer ‘mannenwerk’ door vrouwen gedaan, simpelweg omdat het niet anders kon. In deze context was het ook voor Ingoma Nshya mogelijk een voet aan traditionele grond te krijgen – zelfs met steun en zegen van president Kagame.

 

In het verlengde van de drumband ligt een ijswinkel in Kigali die de film ook zijn titel verschaft: Inzozi Nziza (‘zoete dromen’). In Rwanda was ijs slechts bekend uit films, maar nog niet fysiek aanwezig. Kiki besloot om in samenwerking met de in Brooklyn, New York gevestigde ijssalon Blue Marble haar vrouwen een plek te geven waar zij en anderen konden samenkomen Het hele proces van opzetten moest ook als inspiratie dienen; voor deze en andere vrouwen hoe het is om samen iets op te bouwen. De documentaire toont het het proces met ups en downs dat uiteindelijk in een succes uitmondt, met de ijswinkel als metafoor voor de samenleving.

 BUT_4995 BUT_4996

De ups en downs zijn een gevolg van de Hollywood-achtige ingrepen van Rob en Lisa Fruchtman die de documentaire van een aantal onnodige spanningsboogjes hebben voorzien: de biografische achtergronden van de verschillende leden van het drumensemble behoeven niet met extra drama aangezet te worden. Dit zijn de enige minpuntjes binnen een indrukwekkend verhaal over de geschiedenis, de nasleep van genocide en de hoop voor de toekomst van Rwanda.

 

Tijdens het aansluitende gesprek onder leiding van Onno Warns (programmamaker van het Humanity House Den Haag) lichtte Kiki haar volgende project The Book of Life toe. Kiki gaf aan dat ze nu eens niet op de strijd tegen HIV, of op de strijd tegen gewapende conflicten wilde focussen, maar op een een strijd vóór iets; zijnde vreugde, samenzijn en de toekomst. The Book of Life gaat uit van dit principe: niet vertellen dat iemand dood is, maar vertellen hoe iemand leefde en hoe het is om nu te leven; in de vorm van een brief naar een overledene. Iedereen kan hier aan deelnemen, zodat de geschiedenis van het land vastgelegd zal worden – wat tegelijk als therapie en biecht zal dienen. Het verhaal van Rwanda zal dan niet meer van buitenaf worden ingebracht en geprojecteerd, maar zal door de Rwandezen zelf worden gemaakt én worden opgeschreven. Dit kan alleen samen. In de woorden van president Kagame: People who do not stay together, do not stay peaceful.

Zufällig gerettet

Zufällig gerettet

oder:

Zeitzeuge einer Rettungsaktion

während der Nazi-Gewaltherrschaft

 

Lecture – Vortrag Guy Stern

Em. Distinguished Professor of German Literature and Cultural History. At present Director of the International Institute of the Righteous at the Holocaust Memorial Center in Farmington Hill

 

NIOD – Nederlands instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies
Herengracht 380, 1016 C Amsterdam

Donnerstag, 25. Oktober 2012, 16:00 hrs

Talen – Sprachen: Deutsch und Englisch
free entrance -gratis Zugang
Please register at – bitte anmelden unter aanmelden@niod.knaw.nl

NIOD, i.s.m. Genootschap Nederland-Duitsland, Castrum Peregrini, Gesellschaft für Exilforschung e.V.

 

Guy Stern wurde als Günther Stern am 14. Januar 1922 in Hildesheim geboren Als fünfzehnjähriger Schüler gelangte er mit Hilfe verschiedener Personen und der German Jewish Childrens’Aid Society in die USA. Alle Versuche, seine Eltern und seine beiden Geschwister in die Emigration nachzuholen, schlugen fehl; die Familie kam im Holocaust um. Während des Krieges diente Guy Stern seinem neuen Heimatland im Kampf gegen die NaziGewaltherrschaft. Nach einem Romanistik-Studium wandte er sich der Germanistik zu und promovierte 1953 an der Columbia University in New York. Als Lehrer an verschiedenen amerikanischen Universitäten, zuletzt, bis zu seiner Emeritierung, an der Wayne State University, Detroit/Ml; als Gastprofessor an einer Reihe von deutschen Universitäten; als Forscher zur deutschen Literatur des 18., des 19. und des 20. Jahrhunderts, und hier besonders zur Literatur des Exils; als Autor und Herausgeber von zahlreichen Büchern, darunter auch Wörter- und Grammatikbüchern, sowie als Redner vermittelt er Deutsche Literatur- und Kultur-Geschichte in seiner neuen und in seiner alten Heimat. Guy Stern ist einer der Initiatoren und Mitgründer der ,Society for Exile Studies, Inc.”, der „Mutter”der Gesellschaft für Exilforschung e.V, und Vizepräsident der sich jetzt „North American Society for Exile Studies” nennenden Organisation.

Brommerdagen

Vrijdag, 22 januari 2010

presenteerde Jan Baeke 

zijn bundel Brommerdagen.

De dichters Erik Lindner en Henk Pröpper lazen voor.

Hier wat foto’s van de avond:

brommerdagen

After sunsets

 

Grenzgänger

Und verstehe die Freiheit, Aufzubrechen, wohin er will.*

Grenzgänger – ein Abend für Alexander von Bormann

12 Februar 2010, 20 Uhr
Castrum Peregrini

Eine Veranstaltung von Castrum Peregrini und Goethe Institut Amsterdam in Zusammenarbeit mit der Genootschap Nederland Duitsland. Mit freundlicher Unterstützung der Österreichischen Botschaft und der Familie von Bormann.

AvBAlexander von Bormann (*7. Juni 1936; + 16 September 2009) war ein Grenzgänger. Den kulturellen Austausch zwischen Niederlande-Deutschland hat er zentral geprägt durch seine Lehrtätigkeit, durch die Arbeit ‚seiner’ Stiftung, als Literaturkritiker  und als Mentor. Grenzgänger war er im intellektuellen Sinne aber auch als Vermittler zwischen verschiedenen Welten, Kulturen und Ansichten. Der Abend will Alexander von Bormann erinnern und fragen, was von seiner Haltung unser eigenes Grenzgängertum inspirieren kann.

Moderator: Christoph Buchwald

Gäste: Danae Coulmas, Robert Menasse, John Neubauer, Willem van Toorn

Martin Schwab, Wiener Burgtheater, liest Texte von Autoren der Stiftung Kulturaustausch

* Hölderlin, Lebenslauf

Der Saal war voll, die Beiträge subliem, das Gespräch angeregt; wir hoffen, die Textbeiträge bald hier zugänglich machen zu können. Im Folgenden einige Photos von unserem treuen Besucher Rien Buter:

[nggallery id=7]

Georg Büchner Redux

Op 11 december 2009, 20 uur ging Theu Boermans in gesprek  met Tijs Goldschmidt  en Marina Busse over het volgende citaat van Georg Büchner:
 

Georg Büchner
Das MUSS ist eins von den Verdammungsworten, womit der Mensch getauft worden. Der Ausspruch: es muss ja Ärgernis kommen, aber wehe dem, durch den es kommt,- ist schauderhaft. Was ist das, was in uns lügt, mordet, stiehlt?“

Aus: Briefe An Die Braut, 10.03. 

Hier de foto’s die gemaakt zijn door onze trouwe bezoeker Rien Buter:

[nggallery id=2]

FIT – working conference

FIT – Fanaticism Indicator Test

Project launch – first partners meeting – working conference

Castrum Peregrini and Goethe Institut in association with the Dialogue Advisory Group

Amsterdam 25 and 26 September 2009

Working language: English

As a practical conclusion drawn from the project application we suggest to work in three strands:

1)         on the general theme of fanaticism

2)         on the local/regional aspects of fanaticism (specific situation and practice of the involved partner organisations): couleur local; collection of best practice

3)         on measurement tools: the Fanaticism Indicator Test – development of methodology, questionnaire and online application

These three aspects give structure to all our project meetings, so that strand 1 is an ongoing discussion across all meetings (to be documented online) leading to a final (publishable) conclusion. Strand 2 highlights the situation of the partner institution hosting a meeting and the work of strand 3 would develop in-between the meetings by a working group set up during the first meeting. They would present and discuss their proceedings during all project meetings.

Ram Manikkalingam will follow the whole conference as an observer and will give critical feedback in the end.

Friday, 25 September

Castrum Peregrini, Herengracht 401

For project partners only:

 

13h00

Welcome by Lars Ebert
Introduction in weekend schedule and housekeeping announcements
Presentation of project objectives

14h00
Introduction of project partners (15 minutes maximum each)

15h30
Coffee break

16h00
Workshop: Problems and practice of involved partner institutions. (10 minutes each); Presentation and discussion. Chaired by Joachim Umlauf, director Goethe Institut Amsterdam

17h30
End of first session

18h00
Dinner at Brasserie Harkema (http://www.brasserieharkema.nl/)

 

20h00 – public part
Roundtable talk on Fanaticism 

Ram Manikkalingam (Universiteit van Amsterdam) and Bert van den Brink  (University of Utrecht) will both give an introduction in the subject before they enter into a dialogue involving the public.

 

Saturday 26 September

Castrum Peregrini, Herengracht 401

10h00
Workshop (Strand 1)
Joachim Umlauf, director Goethe Institut, Amsterdam
Definition of Fanaticism (in: Anthropology, Sociology, History, Literature, Performing Arts, Fine Arts etc.)

when and why does one gets fanatic?
why is one individual more vulnerable than the other?
what is needed to realise one has tendencies towards fanaticism?
when can you call somebody fanatic?

11h00
Coffee break

11h30
Workshop (Strand 3)
Presentation and discussion of the existing (Dutch) FIT, the ‘Weerbaarheidsmeter’;
Dirk Jansen, Chair Stefan Zweig Society

12h30
Lunch break (see list with suggested lunchrooms)


Goethe Institut, Herengracht 470

14h30
Breakout groups:

1) task force: Fanaticism Indicator Test; Dirk Jansen and Michael Defuster (Strand 3)

2) task force: collecting and making accessible of best practice; Lars Ebert and Joachim Umlauf (Strand 2)

15h30
Coffee break

16h00
Feedback by Ram Manikkalingam and discussion

17h00
End of afternoon sessions; meeting of responsible representatives of partner institutions to define date and agenda of next meetings. Signing of co-operation agreement.

18h00
Dinner at Goethe Institute

19h00
Film screening The Wave, with presentation of didactic material

LLPafbeelding kleurDAG

Opening Aura tentoonstelling 14 mei 2009

Een goede 200 mensen mochten wij begroeten tijdens de opening van de Aura tentoonstelling.
Hier alvast wat foto’s van Simon Bosch, onze trouwe hoffotograaf:

_mg_6685_mg_6686_mg_6687_mg_6688_mg_6689_mg_6690_mg_6692_mg_6694_mg_6695_mg_6696_mg_6697_mg_6700_mg_6701_mg_6702

_mg_6703

_mg_6704_mg_6707_mg_6708

Aura bij De Avonden

Jan Robert Leegte

Jan Robert Leegte

 In het VPRO programma De Avonden besteed Botte Jellema in een reportage op woensdag 13 mei 2009, 19 uur aandacht aan het kunstproject Aura. Hij heeft Castrum Peregrini bezocht en gesproken met de directeur Michaël Defuster, de Aura curator Michiel van Iersel en de beschermvrouwe en oprichtster van Castrum Peregrini Gisèle van Waterschoot van der Gracht.

Aura press release

Press release

Aura: a former hiding place through the eyes of contemporary artists

Unique art project at Herengracht 401 in Amsterdam from 14 May to 21 June 2009

Werk van Amie Dicke; foto Simon Bosch

Werk van Amie Dicke; foto Simon Bosch

What does a contemporary artist do with the vibrant past of a former hiding place on one of Amsterdam’s canals? Is it the aura, the uniqueness and authenticity of this place to be captured and can it be transformed into something new and relevant? Those questions live at the heart of the art project Aura: an exhibition and a series of events in the historic premises of Castrum Peregrini Foundation, where in WWII young German Jews survived in hiding. As a modern Noah’s Ark the hiding place at the Herengracht manoeuvred through the horrors of persecution, with a group of friends under deck to enshrine a sphere of freedom through art and human culture.

Since the war the time seems to stand still in this labyrinth of rooms and passages. A small part of the first generation lives there to date, in the middle of countless antique objects, books and pieces of art they produced and collected. This inner world is still covered by a monumental 17th century façade. In the coming years the house will be partly opened to the public. To mark this transition nine artists from different disciplines were asked to choose a historic object, a story or a person as a point of departure and use it for a new artwork. The results of this ‘artistic recycling’ vary from installation art, ink drawings, photography and film to conceptual furniture, poems and a short contemporary radio play. The exhibition of works will start in the new project space of Castrum Peregrini, moving up the old staircase into the deserted apartment of a late inhabitant where the past is still perceptibly present.

Participating artists

Amie Dicke (beeldend kunstenaar, NL)
Chris Kabel (industrieel ontwerper, NL)
John Kleckner (beeldend kunstenaar, USA)
Susanne Kriemann (beeldend kunstenaar, D)
Jan Robert Leegte (beeldend kunstenaar, NL)
Alexandra Leykauf (beeldend kunstenaar, D)
Erik Lindner (dichter, NL)
Renée van Marissing en Allerd van den Bremen (theatermakers, NL)
Henk van der Waal (dichter, NL)

And original Works from the collection by (a.o.)

Foto Simon Bosch

Foto Simon Bosch

Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht
Max Beckmann
Walter Benjamin
Simon van Keulen

Curator
Michiel van Iersel

Location
Castrum Peregrini
Herengracht 401
1017 BP Amsterdam
The Netherlands

Opening hours Aura-exhibition
From 14 May until 21 June
Wednesday through Sunday 13:00 – 18:00 hrs
Admission 5 Euro, 18 years and younger free
Please register groups beforehand

Official opening Aura-exhibition
Thursday, 14 May, 18:00 – 21:00 hrs

Aura salons with guided tour, performances, statements and music
Thursday, 28 May, 20:00 – 23:00 hrs
With contributions by (a.o.) Allerd van den Bremen, Machinefabriek, Erik Lindner, Renée van Marissing, Joachim Umlauf, Ton Venhoeven

Thursday, 11 June, 20:00 – 23:00 hrs
With contributions by (a.o.) Jan Baeke, Pierre Bastien, Theu Boermans, Dragan Klaic, Tracy Metz, Henk van der Waal

Finissage Aura-exhibition
Sunday, 21 juni, 14:00 – 20:00 hrs

Informal Aura-drink
Each Friday 17:00 – 19:00 hrs

For more information and images please contact
Castrum Peregrini
Michael Defuster and Lars Ebert
tel: 020 623 52 87
mail@castrumperegrini.nl

 

The Aura project is being made possible through the generous support of:

beeldmerk_vsbfonds_rgbafklogo_bw_300dpicultuurfonds_horizontaal_kleurafbeelding20kleur1genootschap1

Aura persbericht

PERSBERICHT

Aura: een voormalig onderduikadres door de ogen van hedendaagse kunstenaars

Tentoonstelling van 14 mei – 21 juni 2009, Castrum Peregrini, Herengracht 401, Amsterdam

Wat kan je als hedendaagse kunstenaar met het bewogen verleden van een voormalig onderduikadres aan een Amsterdamse gracht? Is het aura, het unieke en authentieke, van deze plek te vatten en om te vormen tot een herkenbare vorm met een actuele betekenis?

amie1

Werk van Amie Dicke; foto Simon Bosch

Deze vragen staan centraal in het kunstproject Aura: een tentoonstelling en een reeks activiteiten in de historische panden van Stichting Castrum Peregrini, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog jonge Duitse Joden ondergedoken zaten. Als een moderne Ark van Noach laveerde de schuilplek aan de Herengracht tussen de golven van geweld en onderdrukking, met in het vooronder de onderduikers die bijna allemaal aan de Jodenvervolging wisten te ontsnappen.

Sinds de oorlog lijkt de tijd stil te hebben gestaan in dit doolhof van kamers en gangen. Een klein deel van de eerste generatie woont er nog steeds, te midden van de vele duizenden antieke objecten, boeken en kunstwerken die zij verzamelden. Deze binnenwereld gaat nu nog schuil achter een monumentale gevel. De komende jaren worden delen van de panden geleidelijk opengesteld voor het publiek.

Om deze transitie te markeren zijn negen kunstenaars uit verschillende artistieke disciplines gevraagd om een historisch object, verhaal of persoon als uitgangspunt te gebruiken voor een nieuw werk. Het resultaat van deze ‘artistieke recycling’ loopt uiteen van fotografie en film tot conceptuele meubelstukken, gedichten en een eigentijds hoorspel. Deze nieuwe kunstwerken, gecombineerd met topstukken uit de eigen collectie, verbinden de archiefkelder en de nieuwe projectruimte via het trappenhuis met de verlaten woning van een van de oud-onderduikers waar het verleden nog voelbaar aanwezig is.

Foto Simon Bosch

Foto Simon Bosch

De titel van het project verwijst naar de ideeën van de vooroorlogse Duitse schrijver Walter Benjamin, die met het begrip ‘aura’ doelde op unieke en authentieke kunst die wortelt in rituelen en tradities. Kunst die tastbaar dichtbij is en tegelijkertijd onbereikbaar blijft voor ons beperkte bevattingsvermogen. Vatbaar, maar niet te bevatten. Wat in de theorieën van Benjamin een abstract begrip blijft, wordt bij een bezoek aan Castrum Peregrini een voelbare grootheid. Iedere vierkante centimeter van het blikveld wordt gevuld met objecten en afbeeldingen die symbool staan voor iets anders, een persoon of herinnering die alleen door ingewijden herkend worden. En alleen met verbeeldingskracht kan dit veranderen.

Maar wat zal er gebeuren als kunstenaars en andere buitenstaanders deze geheimtaal proberen te ontcijferen en omzetten in nieuwe beelden en klanken? Volgens Walter Benjamin zouden deze invloeden van buitenaf, met name de toepassing van fotografie en film, tot de onherroepelijke vernietiging van het aura leiden. Het Aura-project stelt dit doemscenario ter discussie en nodigt uit om na te denken over de waarde van het aura in onze tijd. Zo is het project vooral een ode geworden aan de zinnelijke kunst die weer zicht-  en hoorbaar maakt wat aan onze ogen en oren dreigt te ontsnappen.

Locatie

Castrum Peregrini
Herengracht 401
1017 BP Amsterdam

Deelnemende kunstenaars

Amie Dicke (beeldend kunstenaar, NL)
Chris Kabel (industrieel ontwerper, NL)
John Kleckner (beeldend kunstenaar, USA)
Susanne Kriemann (beeldend kunstenaar, D)
Jan Robert Leegte (beeldend kunstenaar, NL)
Alexandra Leykauf (beeldend kunstenaar, D)
Erik Lindner (dichter, NL)
Renée van Marissing en Allerd van den Bremen (theatermakers, NL)
Henk van der Waal (dichter, NL)

En werken uit de collectie van (o.a.)

Max Beckmann
Walter Benjamin
Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht
Simon van Keulen

Curator

Michiel van Iersel

Officiële opening Aura-tentoonstelling

donderdag 14 mei van 18:00 tot 21:00 uur

Overige openingstijden Aura-tentoonstelling

Gedurende de periode van 14 mei tot 21 juni is de tentoonstelling geopend van woensdag t/m zondag van 13:00 tot 18:00 uur

Aura salonavonden met rondleidingen, lezingen en optredens
donderdag 28 mei van 20:00 tot 23:00 uur
donderdag 11 juni van 20:00 tot 23:00 uur

Finissage Aura-tentoonstelling
zondag 21 juni van 14:00 tot 20:00 uur

Informele Aura-borrels

Iedere vrijdag van 17:00 tot 19:00 uur

Voor meer informatie en beeldmateriaal kunt u contact opnemen met:

Lars Ebert, programma coördinator, 020 623052087 en E-mail: l.ebert@castrumperegrini.nl

Het Aura-project is mogelijk gemaakt dankzij de financiële steun van:

afklogo_bw_300dpicultuurfonds_horizontaal_kleurbeeldmerk_vsbfonds_rgbafbeelding20kleur1genootschap1

18 April 2009

in het kader van de slotmanifestatie Amsterdam Wereldboekenstad in de Tolhuistuin, Amsterdam Noord.

Met opperspreekstalmeester Thieu Besselink en als gasten Joris Luyendijk, Ton Venhoeven en Hans van Houwelingen.

Over de grenzen van vrijheid

“Het doel van de politiek is dus in werkelijkheid de vrijheid”
(Tractatus theologico-politicus 20.6)

“The purpose of politics, after all, is freedom” Freedom to do what?

Spinoza was een ‘maverick’, iemand die zijn eigen weg ging ondanks een samenleving die hem heeft verbannen om zijn afkomst en ideeën.
Hij is het voorbeeld van een denker aan het begin van een nieuwe tijd, en net als Spinoza staan wij aan de vooravond van een nieuwe tijd. Wat wij nodig hebben is niet zozeer de politiek die ons de vrijheid geeft te doen wat ons te doen staat. In plaats daarvan is het tijd om de vrijheid en verantwoordelijkheid nemen om als pioniers van de nieuwe economie een sociale cultuur te verbinden met politiek en economie. Want omdat de politiek zoals wij hem kennen zijn failliet moet bekennen, creëert in feite de invulling van onze vrijheid de nieuwe politiek.”  Thieu Besselink.

In deze reeks confronteerd Castrum Peregrini kunstenaars, dichters en essayisten met het vrijheidsbegrip van Baruch de Spinoza en vraagt hun daarop te reageren.

Door de huidige ontwikkelingen op het wereldtoneel staan de gedachten van deze 17de eeuwse denker, die als één van de eersten pleitte voor een volledige scheiding van staat en religie, weer in de volle belangstelling.

U wordt uitgenodigd om kennis te maken met originele, luchthartige, diepzinnige maar altijd onderhoudende reacties op het werk en leven van een medeburger, op wie nog steeds een officiële ban rust.

Iedere avond kent een eigen opperspreekstalmeester. Die kiest een fragment van Spinoza en drie bijdragers (uit verschillende disciplines) die de opdracht krijgen om naar aanleiding van het gekozen fragment een bijdrage te bedenken. De opperspreekstalmeester geeft zelf een inspirerend statement over zijn/haar motivatie, nodigt de gasten uit hun statement te geven en gaat na afloop met het podium en het publiek in gesprek.

De eerste avond vond plaats op 13 februari 2009
Opperspreekstalmeester: Chris Keulemans
Missed the evening? Catch up here!

De tweede avond vond plaats op 19 maart 2009
Opperspreekstalmeester: Machiel Keestra
Missed the evening? Catch up here!

afbeelding20kleur1In samenwerking met Goethe Institut Amsterdam en Amsterdam Wereldboekenstad

De Spinoza redux wordt mogelijk gemaakt met hulp van het LIRAfonds.

In tijden van grote verandering..

Michiel van Iersel, geestelijke vader van het Aura project en curator van gelijknamige tentoonstelling stuurde de volgende post. 

[Read more…]